DOCUMENTEN BOKKENRIJDERS


GERECHTSKOSTEN

Entree        Documenten        Processtukkenen        In de gevangenis

Advies Advocaat Fiscaal van de Raad van Brabant in zake Herman Corstiens - 27 mei 1777
— BHIC — Raad van Brabant — 459 —




Consideratiën en Advijs
                      van
Den Advocaat Fiscaal van
Braband en de Landen van
Overmaze.

               Op een missive van den
               Lieut. Voogd en Schepenen
               van het Hoge Geregte
               der Stad en Vrijheijd
               Valkenburg, versoe-
               kende advijs bij wijze
               van Hoofdleringe in
               zeekere criminele zake.

In dato 27 meij 1777.



                                                           Pro Fisco

                                        Edele Mogende Heeren !


Het heeft aan Ued. Mogende behaagt bij Appoinctement van den 12e deser maand Meij in handen van de Advocaat Fiscaal van Braband te stellen, om Ued. Mogende te dienen van desselfs Consideratien en advijs, een missive van den Lieutenant Voogd en Schepenen van het Hoge Geregte der Stad en Vrijheid Valkenborg, geschreven aldaar den eersten deser maand, met de Bijlagen daar bij gevoegt, waar bij zij lieden, om redenen in deselve missive vermeld zig aan Ued. Mogende, als Regters over het voorsz. Land in het Hoogste Ressort, hebben geadresseert en versogt. om over de Crimineele Procedures, door den Lieutenant Drossaard des Lands van Valkenburg, tegen zekeren Herman Corstius van Meersen, gevangenen aldaar, gevoerd, en waar van bij gemelde missive de acten onder Inventaris zijn gevoegt, bij Hoofdleringe UEd. Mogende advijs aan henlieden te willen verlenen, of wel Drie Neutrale Regtsgeleerden alhier in den Hage daartoe te benoemen, opdat zij dus mogen in staat gesteld worden Justitie te doen geworden, en zij lieden bij het Gemeen voor alle blaam, alsof zij de tegenwoordige Crimineelen minder dan de reeds geëxecuteerden, aan de Wetten onderhevig maakten, zuijver behouden werden.

De Advocaat Fiscaal heeft, na attent examen van voorsz. stukken ter voldoeninge van UEd. Mogende Orders geconsidereert:

Vooreerst in opzigte van het voorsz. versoek bij gemelde missive gedaan, dat ofschoon diergelijk addressen off versoeken zelden geschieden, het egter aan geen Voorbeelden ontbreekt dat door de Neder Regteren niet alleen direct soortgelijke versoeken aan UEd. Mogende zijn gedaan, en ook dien conform door UEd. Mogende aan deselve, bij wijse van Hoofdleringe, is gegeven advijs hoe en op welke wijse in de voorgestelde zake behoorde gevonnist te werden. maar dat zelfs Hun Hoog Mogende bij Resolutie van 20 September 1736 het geregt van Rosendaal hebben gelast, om in sekere Crimineele Procedures, diestijds voor haar hangende niet finaal te decideren, als na ingenomen te hebben bij Hoofdleringe het Advijs van desen Rade, off van ten minste Drie Neutrale Regtsgeleerden.

En het ware te wenschen, dat zulks te meermalen geschiede in opzigte van Crimineele Saken, gebrogt voor de Regters ten platten Lande, veeltijds uit onkundige lieden bestaande, waar in zij het vonnis vellen, zonder dat men daar van provocatie wil admitteren.

Zijnde de Advocaat Fiscaal ook geïnformeert, dat de Raad van Brabant te Brussel, mede bij Hoofdleringe ontrent de Complicen deser Bende, verscheijde Sententiën voor de Neder Regters heeft geslagen, ingevolge van dewelke die Complicen met de Doot zijn gestraft geworden, hetgeen heeft gehad die uitwerkinge, dat men in dat gedeelte der Landen van Overmaze, onder voorsz. Raad ressoterende, in opzigte van die Bende, en de daar tegens gevoerde Procedures, heel anders gedagt en gesproken heeft als sommige zig verstout hebben, daar over in dit gedeelte dier Landen, onder UEd. Mogende ressorterende, ja zelfs hier in den Hage van te redeneren.

En de redenen, welke de Lieutenant-Voogd en Schepenen van Valkenburg, volgens hunne missive, hebben gepromoveert, om voorsz. Addres en Versoek te doen, zijn aan den Advocaat Fiscaal voorgekomen billijk en gegrond: want ofschoon uit hunne missive niet onduijster blijkt, dat aan henlieden dese Crimineele Zaak wel niet dubieus of twijfelachtig voorkomt, en dat ingevalle het Request, door off van wegen de Vrouw en Kinderen van den gedetineerden om de Straffe des Doods te muteren in een Eeuwigdurend Confinement, niet was gepræsenteert geworden, zij conform de Wet, op zodanige misdaden gestatueert, den gevange zouden hebben gevonnist. Dan welk Request nu heeft uitgewerkt, dat dese Schepenen scrupuleus zijn gemaakt, dewijl dat men onvoorsigtig off uit een verkeerd en onbetamelijk oogmerk, haar Hoog Mogende Resolutie van 23 Februarij 1776, in plaats van te secreteren, onder het Gemeen publicq heeft gemaakt, en zelfs tegens de waarheid heeft geïnterpreteert, mitsgaders als een Amnestie heeft doen aanmerken, en vervolgens gemelde Schepenen voorsigtig hebben gedaan, om zig te dekken tegens alle blaam, van zig te willen voorsien van een advijs van Neutrale Regtsgeleerden, hetgeen zij daar te Lande om redenen bij hunne missive opgegeven, niet hebben kunnen bekoemen.
Waarom de Advocaat Fiscaal van opninie is, dat het versogte advijs van desen Rade, bij wijse van Hoofdleringe in desen niet behoord geweijgert te worden.

En heeft voorts in de tweede plaats, met relatie tot de saak selve, geconsidereert, dat bij Examen van de voorsz. stukken blijkt, dat de voornoemde Herman Corstius, volgens zijn eijge Confessie, en die van verscheijde zijner Complicen, zedert een reeks van jaren heeft gehoort onder de berugte bende Booswigten, waarvan in de Landen van Overmaze, zoo onder het gebied van Hare Majesteit, als van Hun Hoog Mogende, mitsgaders in de Landen, onder het gebied van den Heere Prince Bisschop van Luijk, een groot aantal met de Doot zijn gestraft, en veele nog overig zijn, die dese gepasseerde Winter verscheijde Huijsbraken en Diefstallen wederom gepleegt hebben.

Het blijkt verder uit des gevangens Confessie, dat hij ten minsten, door op schildwagt te steaan, geadsisteert en behulpsaam is geweest aan diverse Diefstallen, met geweldige Huijsbraak, en mishandelinge der menschen, in die Huijsen gevonden, verselt, als
1° ) bij Antoon Heijnens, alias Teunis tot Raar, Ressort der Hoofdbank Meersen.
2° ) bij den Schepen Walraven in den Maasbampt.
3° ) bij Mathijs Schorer, aan de Hand.
4° ) bij Juffrouw Steintgens te Havert.
5° ) aan een Tentamen van Huijsbraak te Sittard.
6° ) bij den Pastoor van Margraten.

Mitsgaders dat schoon hij wel voorgeeft, dat hij hij wijnig van het gestolene voor sig heeft geprofiteert, egter geconfesseert heeft, dat hij telkens, uitgenomen van de laatste Diefstal, eenig geld genoten heeft gehad. En wanneer men examineert de Confessiën van die geene, door welke hij als een Complice is opgegeven en vooral die van van Johannes Offermans, dan is het zeer waarschijnlijk, dat dese gevange veel schuldiger is, als hij geconfesseert heeft, want, volgens de opgave van Johannes Offermans heeft hij niet alleen op schildwagt gestaan, maar hij heeft verscheijde Huijsbraken zelf direct gepleegt, in de Huijsen het geld opgepakt, daaruit weggedragen, en zijn Complicen, onder Meersen woonagtig, zelfs aangevoert, gelijk hij mede nog verswegen heeft een Tentamen tot Raar en een Huijsbraak bij Frisschen in Arensgenhout, en vervolgens niet prosumtief is , dat hij alle zijne misdaden beleden, of zoo weijnig van den Buijt geprofiteert heeft, als hi voorgeeft.

Dan ofschoon dese Gevange dit een en ander niet heeft geconfesseert, en hier eijgentlijk in het opmaken van zijn Sententie maar moet gedaan worden, op het gunt hij zelfs geconfesseert heeft gehad, zoo kan dit ter zijner verligtinge niet openen off hem van de Straffe des Doods bevrijden, omdat volgens de na te melden Wet het genoeg is, om hem dien Conform te straffen, als hij maar bij eene Diefstal, met Huijsbraak verselt, door raad off daad behulpsaam is geweest, makende het ontrent de straffe geen het minste Onderscheijd, off en hoe veel hij uit deselve heeft geprofiteert, hoe veel te meer hij dan volgens de Wet gemelde straffe onderhevig, daar hij geconfesseert heeft bij het plegen van ses diergelijke misdaden te hebben geadsisteert, en nog bij den Pastoor van Margraten tusschen den 21e en 22e November 1774, en dus gedurende den tijd dat tegens zijn Complicen is geprocedeert, en veele derselven met de Doot reeds waren gestraft, ten blijke, dat hij die Strafoeffeningen daar van niet is afgeschrikt geworden.

Wanneer ook de beëedigde verklaring van van gemelde Pastoor en zijn Dienstmeijd word geëxamineert, ziet men hoe dat mensch bij die gelegenheid is gebonden en mishandelt is geworden, [?? zie Corpus delicti] hoe dese geweldenaren en Knevelaars besig waren alles wat voor handen was in te pakken en weg te Roven, welke hunne mishandelingen en Roverijen zekerlijk nog verder zouden hebben gepasseert, indien de Pastoor, door hulp te roepen en de Kerk-klok te Luijden hun niet op de Vlugt gedreven had.

Indien nu wijders werden geëxamineert de bij voorsz. missive gevoegde stukken, zoo werd bevonden, dat de voorsz. Confessie van gemelde gevangene, namentlijk dat hij is een Complice van de Bende, en dat hij bij het plegen van verscheijde geweldadige Huijsbraken heeft geadsisteert, werd geconfirmeert door vijf zijner Complicen, namentlijk, met opsigte tot de eerst gemelde Huijsbraak, door Vier, ontrent de tweede en derde, door Twee van zijn Bende. En het heeft geen adstructie nodig, dat ontrent soortgelijke misdaden, op het getuigenis van Complicen ook reguard moet worden genomen, en dat, als een gevange dan tot Confessie eenigsints word gebragt, de accusatie der Complicen, ontrent de verswarende omstandigheden veel meer gelooff verdient, als het geen hij, om zijn misdaad te verkleijnen.

En het bewijs van het corpus delicti van alle de door hem opgegeven Diefstallen en Huijsbraken, is onder de overgesondene te vinden. Welke bewijsen aan den Advocaat Fiscaal zijn voorgekomen allesints voldoende, en dienvolgende dat in desen occurreren alle die Requisiten, welke vereijscht worden, om in een extraordinair Proces eene gevange op zijn Confessie te Vonnissen.

De Advocaat Fiscaal vermeend ook dat men te meerder Veijlig op de voorsz.  Confessie zig kan verlaten, schoon dese gevange eerst alles ontkent, en tot die Confessie niet gekomen is, dan na dat hij verscheijde graden der Torture had ondergaan, omdat hij op articulen gehoord zijnde, alleen in generale termen, zoo ontrent de misdaden zelfs, als ontrent de omstandigheden daarbij gebeurd, mitsgaders wie tot die Bende behoorden is ondervraagt, zonder dat hem bij die Verhoren eenige aanleijdinge gegeven is, om te ontdekken, welek Informatiën onder den Officier off Schepenen van Valkenburg, ten zijnen Lasten berustende waren, off van welke Huijsbraken en Diefstalleen hij was geaccuseert. En dat hij tot Confessie gekomen zijnde, uit zig zelve heeft opgenoemt vier Huijsbraken, waarvan hij ook speciaal was beschuldigt, en waarvan het bewijs de Corpore delicti reeds in handen van zijn Regters wierd gevonden. Alsmede dat hij ook onder zijne Complicen heeft genoemt Drie, die hem als hunne medepligtige opgegeven hadden. Mitsgaders een groot aantal anderen, waarvan de meeste bij Schepenen van Valkenburg bereijds voor Leden dier Bende waren bekend.

Boven en behalven, dat hij bij zijne Confessie mede heeft opgegeven verscheijde omstandigheden, aan welk gedeelte van het Huijs de Huijsbraken zijn gepleegt, en wat daarbij verder is gebeurt, het welke vergeleken werdende met de bevorens ingewonne bewijzen zeer wel overeenkomt, hoedanige Omstandigheden hij met geen mogelijkheid zoude hebben kunnen opgeven, indien hij onschuldig was en zijne Confessie alleen door de Pijniging aan hem was afgeperst.

Waarbij nog komt, dat het voornaamste gedeelte zijner Confessie door hem is gedaan niet onder, off immediaet nadat hij was gepijnigt, maar twee en drie dagen daarna, hebbende hij bij aanhaudentheid bij die Confessie blijven persisteren, zoo dat men zeer gerust op deselve zijn vonnis strijken mag.

Zonder dat eenige reflectie daar tegens verdient, dat in zijne Confessie word gevonden dese tegenstrijdigheid dat hij op den 7e Februarij 1776. heeft geconfesseert dat hij gevange door Fr. Ant. Brasse zig in voorsz. bende ingelijft heeft met het doen van den Eed in St Leenderts Cappelle, en dat zulks geschied is ten tijde doen den Diefstal aan de Hand begaan is, bij welke Diefstal hij mede præsent was geweest, daar hij op het eijnde van sijn Confessie van dato 7e Februarij 1776. in dat opzigt ter contrarie gesegt heeft, dat hij met voorn. Brassé wel was geweest in een Capelle over de Geul, dog dat hij de naam en de plaats van die Capel niet wist, en dat hij aldaar geen afsweringe, off belofte gedaan had, want dese tegenstrijdigheid kan niet vitieren het overige van zijn Confessie, waarbij hij is blijven persisteren, omdat het zelve de Straffe, die hij daar over gemeriteert heeft, niet vermeerderen off verminderen kan, het zij hij waarlijk die afsweringe en Eed heeft gedaan, het zij dat hij zonder deselve die Booswigten behulpsaam is geweest in de uitvoeringe hunner misdaden.

Daar werd ook wel tusschen de Confessiën zijner medepligtigen, en het gunt door hem is geconfesseerd gevonden dese variatie, dat zij lieden opgegeven hebben aan welke Huijsbraken zij te samen Schuldig waren; gelijk mede dese gevange ook het zelve bekent heeft, met opzigte tot de meeste der door hun opgegeven Huijsbraken, maar opnoemende de Personen, die daaraan, buijten hem, mede schuldig waren, heeft hij ontrent verscheijden, de gemelde zijne Complicen niet speciaal off nominatim opgenoemt.

Dan wanneer men in aanmerking neemt, dat tot het plegen dier Euveldaden altoos gebruijkt zijn zeer vele Personen van die Bende, dat zijj uit verscheijde plaatsen des Nagts bijeen kwamen, dienvolgede het heel ligt een Waarheid kan zijn, dat hij, off niet meerder geheugt, wie al bij dese off geene misdaad tegenswoordig is geweest, off dat hij in het opneoemen zijner Complicen sommige vergeten heeft op te geven, hetwelk te waarschijnlijker is, omdat hem mooijt speciaal off nominatim is gevraagt, off die off geene daar aan mede schuldig waren, maar alleen in het generaal, zonder het noemen van Namen gevraagd is, wie zijn Complicen zijn, die bij de door hem geconfessioneerde Diefstallen en Huijsbraken geadsisteert hadden.
Vervolgens is dese variatie niet van dat aanbelang, om daardoor zijn Confessie te houden voor niet voldoende nadien ontrent het essentiëele, waarop het eijgentlijk in zijn opsigt aankomt, deselve is duijdelijk en klaar, als mede overenkomstig de Confessiëen van zijn medepligtigen.

De Advocaat Fiscaal heeft dan verder, met relatie tot de Wet, welke de Rigtsnoer off norma in judicando ten desen wesen moet, geconsidereert, dat de Straffe van zodanige gequalificeerde Huijsbraken en Diefstallen in de Generaliteits Landen geensints is arbitrair, maar te contrarie dat tegens deselve is gestelt een sekere en bepaalde Straffe, namentlijk dat zelfs de Daders van dien, ofschoon zij alleen maar op schildwagt hebben gestaan, en alsoo met hulp off raad dar in hebben geadsisteert, ja al was het voor de eerste reijze dat zij zulks hadden geperpetreert, al hebben zij niets daarvan geprofiteert, zonder eenige Conniventie met de Koorde moeten worden gestraft dat'er de Dood na volgt, met Confiscatie van goederen, volgens het uitdrukkelijk bevel van hun Hoog Mogende, vervat in Hoogstderselver Placaat van 18 maart 1732, te vinden in het groot Placaatboek, 6e Deel, Pag. 606. hebbende hun Hoog Mogende nog onlangs bij derselver Placaat van 2.meij deses jaars ten allerklaarste doen zien hoe noodsakelijk Hoogstdeselven Oordeelen, ter bescherminge van het goed der Ingesetenen in gemelde Landen, dat de Diefstallen, met Inbraak verselt, met de Dood moeten worden gestraft, en daarom op dat zodanige ontdekt en agterhaald zouden werden, de Officieren van dat District in het bijsonder hebben geauthoriseert en gequalificeert, in die gevallen te beloven een Premie van Twee hondert guldens Hollands die den Dader of Daders weten aan te wijzen, zodanig dat deselve in handen der Justitie geraken, en van het Fait worden overtuijgd, met belofte van Impuniteit aan die geenen, welke medepligtig mogten wesen.

Verdienende dienvolgende daartegens geen de minste reflectie het versoek, door de Naastbestaanden van desen Gevange gedaan, om hem te libereren van voorsz. Doodstraffe, en in plaatse van dien, hem te Condemneren tot een altoosdurende gevankenisse.

Want buijten en behalven, dat de redenen ter zijner verschoninge, bij het daartoe gepræsenteerde Requeste ter nedergestelt, zijn in vage, zonder bewijs, ja tegens de Waarheid, en strijdig met des gevangens eijge Confessie, en die van zijne Complicen, zoo kan na het begrip van den Advocaat Fiscaal, het voorsz. versoek nooijt worden geaccordeert, om dat het aan de Regters niet vrijstaat Gratien te verlenen, off een Straffe, bij de Wetten bepaald en uitgedrukt, te muteren off veranderen, maar wel, wanneer een gevange zig bevind in zodanige favorabele omstandigheden, — als de Lieutenant Voogd en Lieutenant Drossaard hun Hoog Mogende geïnformeert hebben hebben dat sommige dier Bende zig daar in bevonden, namentlijk, "dat zij zig in dat Complot hadden geëngageert in hunne jonge jaren, daar toe verleijd zijnde, oof uit Bijgelovigheid, en Dronkenschap, off uit andere casuele oorsaken, terwijl nimmer met deselve Bende eenig kwaad hadden bedreven, off wel eenig ligt kwaad bedreven hebbende, veele jaren daar van berouw hadden betoond, en als goede en brave Ingesetenen hadden blijven leven, — op dewelke Hun Hoog Mogende Resolutie van 23 Februarij 1776 alleen van applicatie kan worden gemaakt, maar niet op de zodanigen dier Bende, welke met raad off daad behulpsaam geweest zijn aan Huijsbraken, off geweldadige Roverijen en Dieverijen, tegens welke, conform de Resolutiën van 2 Novemb. 1773, en 16 Decemb. 1774 bij continuatie Rigoureuslijk moet worden geprocedeert. En ontrent de sodanige geen arbitraire Strafoefening is geadmitteert. En geen wonder, want wierd het zelve toegelaten, zoude zulks voor de administratie der Crimineele Justitie allergevaarlijkst zijn, en de Regters zouden toegekend worden de Souveraine magt van het verlenen van Gratien, en dat wel aan Delinquanten, waar ontrent den Souverain zelfs, bij voorsz. Resolutie van 16 December 1774. heeft verklaard, dat men niet behoord te denken , om voor deselven Gratie te vragen, maar dat integendeel het algemeene belang van het geheele Land vordert, dat ten Rigoureusten tegens deselven werd geprocedeert, om henlieden, zoo veel mogelijk uit te roeijen, en zulks wel ernstelijk aan voorn. Lieut. Drossaard is gerecommandeert.

Gelijk dan ook door desen Raad in de maand Februarij 1775. aan Zijn Doorluchtige Hoogheid is geadviseert, om soort gelijk Versoek, voor Frans Willem Heusschen gedaan, te wijsen van de hand. Het welk dien conform geschied zijnde, deselve ook door de Schepenen van Valkenburg is gecondemneert, om met de Koorde gestraft te worden, met Confiscatie zijner goederen, welk Vonnis aan hem mede is geëxecuteert.

Zoo nu dese Gevange, die volgens zijn Confessie niet minder schuldig is, als gemelde Frans Willem Heusschen, van de Straffe des Doods wierd bevrijd, dan hadden de vrienden van die geëxecuteerde billijke redenen van zig te beklagen, dat hun versoek, op advijs van dese Rade, ware afgewezen, en hunne Naastbestaande, conform de Wet, was gestraft.

Het verdient ook bovendien een bijsondere opmerking dat reeds verscheijde dier Complicen, welke niet meerder dan dese gevange hebben geconfesseert, ingevolge de voorsz. Wet met de Dood zijn gestraft.

Ingevalle nu dese Gevange, door het Advijs van desen Raad daarvan wierd gelibereert, zulks niet anders dan van zeer nadeelige gevolgen voor de Administratie der Justitie, en de beveijliging der Ingesetenen wesen zoude, dewijl te voorzien zoude zijn, dat niet onbekend zoude blijven, dat de reden warom hij van de Ordinaire, en bij Wet bepaalde Doodstraffe was gelibereert, daar in bestond, dat hij bij zijn Confessie alleen beleden had, telkens op schildwagt te hebben gestaan, wanneer die geweldige Huijsbraken en Mishandelingen der menschen waren geperpetreert, mitsgaders omdat het gunt hij van het geroofde had geprofiteert, van geringe waarde was, en het gevolg zoude dan daarvan waarschijnlijk zijn, dat alle die geenen, die voortaan wierden geapprehendeert, hunne Confessiëen daar toe alleen zouden bepalen, waardoor zij zouden ontgaan hunne Condigne Straffe, en die dan geen goederen besaten, off geen vermogende vrienden hadden, om ten hunnen kosten geconfineert te worden, zoude het zelve moeten geschieden ten kosten van de voorsz. Drie Landen, waar toe de Regters niet zijn geauthoriseert, en het zelve ook een ondragelijke Last voor die Landen wesen zoude, indien men al in de Tugthuijsen plaatsen kon vinden, om zoo een aantal Delinquanten aldaar te ontfangen.

En ging men over, om deselven met een mindere lijstraffe en Banissement te straffen, zouden de overigen dier Bende nog minder afgeschrikt worden. Ja deese en de naburige Landen zouden met der tijd van een zoo groot aantal gauwdieven worden vervuld, die niet nalaten zouden de onderdanen van Hun Hoog Mogende bij aanhoudentheid te ontrusten, dat dese Landen nooijt van deselven gesuijvert, immers denselven nimmer beteugelt zouden kunnen worden, waar door nooijt een eijnde deser Crimineele Procedures te wagten, en niemant zijn Leven off goederen voortaan in vrijheijd aldaar souden besitten.

Ja zodanig advijs van desen Rade zoude ook waarschijnlijk hebben die uitwerking, dat de Regteren daar te Lande, welke, conform de voorrsz. Wet, veele deeser Complicen met de Dood hebben doen straffen, zouden worden gesugilleert (?), even off zij strenger Straffe hadden geoefend, dan die misdadigers hadden verdiend.

De vrienden van veele der reeds geëxecuteerdens zouden vermenen Regt te hebben, om zig te beklagen dat hunne Bloedverwanten een schandelijke Dood hadden ondergaan. Het zoude zelfs te dugten zijn, dat sommige van deselve hunne Wraak zouden oeffenen aan dese Regters, die niet dan in vreese en gevaar van hun Leven het Regter Ambt, gedurende dese Procedures, hebben bekleed, en zeer veel moeijte en onaangenaamheden hebben ondergaan.

Buijten en behalven dat de Regts.D.D. ook daar in averiën stemmen, dat diegeenen welke maar op Schildwagt bij het plegen van een Huijsbraak hebben gestaan, perinde at reliqui Fures, ipsum furtum committentes met de Dood worden gestraft, gelijk in het brede is geadviseert door Schomaker in zijn Consultatien en advisen, part. 2, cons. 65.

Weshalve de Advocaat Fiscaal van advijse zoude zijn, dat Ued. Mogende aan den Lieutenant Voogd en Schepenen van het Hoge Geregte der Stad en Vrijheid Valkenborg  zouden behoren te rescriberen, dat de Raad van Advijs is, dat Schepenen voornoemt in de voorsz. Sake behoren te vonnissen in maniere als volgt:
   „Alzoo Herman Corstius, alias den Toren ofte den Heuvel, oud zeven à
   „agt en veertig jaren, geboren te Meersen, Lande van Valkenborg,
   „Partage van Hun Hoog Mogende de Heeren Staten Generaal der
   „Verenigde Nederlanden, thans gevangene op den Landshuijse binnen
   „Valkenbrg voornoemt, buijten Pijn en Banden van ijser heeft bekend,
   „en ook ex actis gebleken is:

   „Dat hij Gevange een reeks van veele Jaren heeft behoort tot een Bende
   „Nagtdieven, van welken reeds verscheijden zijn gestraft.
   „Dat hij met verscheijden van zijne Complicen zig schuldig gemaakt en
   „geadsisteert heeft aan, off bij de ViolenteDiefstal, met Huijsbraak en
   „mishandelingen der menschen, gepleegt bij, off ten Huijse van Antoon
   „Heijnens, alias Theunis te Raar, Ressort der Hoofdbank Meersen.
   „En dat hij Gevange voor zijn aandeel uit dien Diefstal voor zig ontfangen
   „en geprofiteert heeft Eene Schelling.

   „Dat hij Gevange medepligtig is, en geadsisteert heeft aan, of bij de
   „geweldige diefstal, verselt met Huijsbraak, op den 23/e Augustus 1756.
   „gepleegt, bij off ten Huijse van Peter Walraven in den Maasbampt.
   „Dat hij Gevange voor zijn aandeel uit Voorsz. Diefstal voorzig ontfangen
   „en geprofiteert heeft dienzelven avond Twee Schellingen, en eenige
   „dagen daarna nog Ses Schellingen.

   „Dat hij Gevange ook schuldig is, en geadsisteert heeft aan, oof bij de
   „Violente Diefstal met Huijsbraak en mishandelinge der in Huijs geweest
   „zijnde menschen bij Martinus Schroders aan de Hand, in het Rijk van
   „Aken, gepleegt in den Winter van den Jare 1762.
   „Dat hij Gevange uit denselven Diefstal voor zig op twee bijsondere
   „tijden genoten en geprofiteert heeft agt Schellingen.

   „Dat hij Gevange als voren pligtig staat, en gecoöpereert heeft aan, en
   „bij een violente Diefstal, verselt met Huijsbraak, begaan tot Havert,
   „gelegen op geene zijde van Sittart, gepleegt in den Zomer van den Jare
   „1770.
   „Dat hij gevange uit dien Diefstal voor zig heeft ontfangen Vier Specie
   „Schellingen.

   „Dat hij Gevange over Vier Jaren geleden ook heeft geadsisteert, bij een
   „tentamen van Diefstal en Huijsbraak, welke hij en zijne Complicen
   „voorgenoemen hadde te doen in de Stad Sittart.
   „Dog dat hij en zijne Complicen daarin gestoort en belet waren geworden
   „het zelve ter uitvoer te brengen, doordien het zelve was ontdekt, en de
   „menschen te Sittart op de Klok geslagen, en alarm geluijd hadden,
   „wanneer hij gevange met zijne Complicen de Vlugt genoemen hebben.

   „Dat hij Gevange eijndelijk nog medepligtig is, en geadsisteert heeft „bij
   „de Violente Diefstal met Inbraak en verregaande mishandeling van een
   „Dienstmeijd, begaan des Nagts van den 22/e November 1774. aan off
   „ten Huijse van den Roomsche Pastoor te Margraten.
   „Dat op de Pastorie bij die gelegentheid deerlijk om hulp geroepen
   „zijnde, hij Gevange met zijne Complicen de Vlugt genoemen heeft.
   „Dat een zijner Complicen hem Gevange voor zijn aandeel uit deselve
   „Diefstal wel heeft aangeboden Eene Schelling, dog dat hij Gevange
   „geweijgert had deselve aan te nemen.

   „Alle het welke zijn Saken, die in een Land van Justitie niet kunnen
   „worden getolereert, maar anderen ten afschrik op het Rigoureuste
   „behoren te worden gestraft.

   „Zoo is't dat Schepenen van den Hogen Geregte der Stad en Vrijheid
   „Valkenborgh, gesien hebbende de voorsz. Confessie van den Gevange,
   „en de bewijsen aan henlieden overlegt, op alles wel en rijpelijk gelet,
   „mede op derselver Supplicatie gehad hebbende, bij wijze van
   „Hoofdleringe, het Advijs van den Rade en Leenhove van Braband en de
   „Landen van Overmaze, ter manisse van den Lieutenant Voogd,
   „Doende Regt in Name en van wegens Haar Hoog Mogende de Heeren
   „Staten Generaal der Verenigde Nederlanden,
   „Condemneren den Gevange Herman Cortius voornoemt, om gebragt te
   „worden ter plaatse, waar men gewoon is Crimineele Justitie te doen,
   „en aldaar aan den Scherpregter overgelevert zijnde, met de Koorde
   „gestraft te worden dat er de Dood op volgt.
   „Dat vervolgens desselfs Dode Lichaam in een Keetinge geklonken op
   „het Galgeveld, anderen ten Exempele en afschrik, zal worden gehangen.
   „Condemneren den Gevange verders in de Kosten en Misen van Justitie,
   „ter onser taxatie en moderatie, met Confiscatie van des gevangens
   „goederen.
   „Actum in Judicio den etc.

Waar mede de Advocaat Fiscaal van Braband en de Landen van Overmaze de Eer heeft zig te ondertekenen.

         Edele Mogende Heeren !




s,Gravenhage den 27e meij 1777
UEd. Mogende zeer ootmoedige Dienaar

Joh. Fred. Van Steelant


naar boven


Email






INHOUD

Afstammelingen van Bokkenrijders

ENTREE

Verzameld door John van Eekelen
Tekeningen © Maaike van Eekelen

REGISTER