DOCUMENTEN BOKKENRIJDERS


Entree        Documenten        Processtukken        In Beroep

PROCESSTUKKEN

Kanttekening bij de praktijk van het scherper examen
Verklaring van schepen Leonard Creuwen bij notaris L'Allemand d.d 21 december 1743
Rijksarch. Limb. • Notar. Arch.  4182   —   Transscriptie Karel Bovendeaard


       

 

  Op heden den 21e december van het jaar 1743 compareerde persoonlijk voor mij onderschreven openbaar notaris te Valkenburg residerende, geadmitteerd  voor Hare Majts Souvereine Raad van Brabant en ter presentie van de ondergenoemde getuigen Leonardus Creuwen dewelke zonder enige induitie of persuasie van iemand , maar principalijk zich in zijne conscientie verplicht vindend om te prevenieren door zo oprechte waarheid verdere abominable poursuites tegen verscheidene inwoners van het Land van Valkenburg, en dienvolgens vele gruwelijke executies die alsnog staan te gebeuren misschien in onnozele personen, of tenminste op een inordentelijke wijze van procederen, en ter requisitie van d'heere M.W. Limpens als patroon van diverse gedetineerden, voor de zuivere waarheid verklaard heeft eerstelijk

dat hij declarant schepen zijnde van Vaesrade, heerlijkheid naburig aan die van Hoensbroek beide onder de dominatie van Hare Majt gelegen, verzocht en geassumeerd is geworden van schout en rechtspreker van dito Hoensbroek om in de kwaliteit als schepen en tot supplement van het nodige getal aldaar cessie te nemen en te besoigneren, in en over de criminele proceduren aldaar tegen  enige gevangenen staande gedreven te worden.
Dat hij declarant krachtens deze assumptie na vooraf gegeven permissie van de officier van voornoemd Vaesrade van de 29e juli laatstleden tot de 28e novem ber ook laatstleden en beide incluis over alle criminele procedures degene die in die tussentijd tot gemeld Hoensbroek gedreven zijn geweest, in zijn kwaliteit als schepen gefunctioneerd heeft, niet nochtans zonder zich ten hoogste bezwaard   te vinden in zijn geweten, omdat hij daar enorme vergissingen heeft zien begaan, die hij tot nu toe met stilzwijgen aanvaard heeft, in de mening verkerende dat hij declarant, die verklaart een boer te zijn met weinig ervaring betreffende rechten en praktijk, deze abuizen als juridische geheimen moest beschouwen, en dat hij  ze dientengevolge niet openbaar maken.
dat hij declarant ten lange leste, door geleerde lieden beter geïnformeerd zijnde, begreep dat het integendeel zijn plicht en beter was, zijn ambt van schepen op te geven dan door zijn zwijgen gelegenheid en vrijheid te geven, om door onbehoorlijke manieren van procederen en via de allerzwaarste foltering alle gevangenen  ter dood te kunnen veroordelen.
dat hij zich verplicht gevoeld heeft aan deze heilzame les te gehoorzamen, waar toe hij zich des te meer genoodzaakt voelde omdat een zekere Christiaen Langendorff op 27 november l.l. gepijnigd was, op welke dag Hollandse troepen  in Vaesrade, woonplaats van de declarant, ingekwartierd waren en dat hij declarant daarom graag tijdelijk thuis was en tegen zonsondergang uit  Hoensbroek vertrokken was, nadat de foltering van de voornoemde Christiaen Langendorff beëindigd was en zijn verklaring, tijdens de tortuur gedaan, door de substituut-secretaris Horsmans op schrift gesteld was.
dat hij declarant deze schriftelijke verklaring voor zijn vertrek niet ondertekend had, maar dat 's anderendaags, na zijn terugkomst, door de genoemde substituut-secretaris Horsmans van hem geëist werd dat hij dat in alle haast alsnog moest doen.
dat hij declarant na lezing van de verklaring gezien heeft, dat er een voetnoot aan toegevoegd was over een met naam en toenaam vermelde medeplichtige over wie hij uit de mond van genoemde Christiaen Langendorff volstrekt niets gehoord had.
dat de declarant daarom uiteindelijk, zoals hij verklaart, genoemde Horsmans verweten heeft “Gij bloedschrijver, waarom hebt gij dit niet in mijn tegenwoordigheid gedaan?”
Omdat het waar en waarachtig is dat voornoemde Christiaen Langendorff zijn genoemde getuigenis niet in tegenwoordigheid van hem, declarant, heeft gedaan en alsmede omdat hij gehoord heeft dat Langendorff op de avond dat hij declarant vertrok, nogmaals gefolterd zou zijn, en dat deze tortuur dan ook niet anders dan ten overstaan van drie schepenen (...) zekere Tosses, zekere Daniels en de oude Horsmans kan gebeurd zijn, dus de schepenen aldaar benevens hem declarant als geassumeerde niet boven vier in het getal uitmaken.
en dat de declarant vanwege het voorgaande de dag erna, op de bovengenoemde 27e november bedankt heeft voor zijn taak.

Tweedens dat aan hem declarant volkomen bekend is dat verscheidene folteringen door niet meer dan twee schepenen zijn bijgewoond, te weten die de schout de substituut-secretaris Horsmans, de schepen Daniels en de oude Horsmans medeschepen had doen hervatten nadat hij declearant benevens de schepen Tosses naar huis waren gegaan.
En dat genoemde hervatters, 's anderendaags grootsprakerig aan hem hun wisten te zeggen dat zij de gedetineerde na hun vertrek pas echt hadden doen pijpen en klappen (fluiten en praten = verklappen,vgl. uit de school klappen KB) en dat deze torturen tijdens de afwezigheid van de declarant uitgevoerd waren en dat ze hem later ter ondertekening waren voorgelegd en dat hij de ondertekening gedaan had zonder dat hij de gedetineerde zijn bekentenis had zien tekenen noch horen bevestigen.
dat hij verklaart bereid te zijn onder ede te bevestigen dat hij niet beter geweten heeft, dat hij dat wettelijk mocht doen, temeer omdat de schout van Hoensbroek die deze handelingen bijgewoond heeft licentiaait in beide rechten is (zoals hij zegt) en dat hij, declarant, niet anders van hem dacht dat hij van hem als schepen geen handelingen zou gevergd hebben die een berisping verdienen.

Derdens, dat hij declarant niet weet, of de officier van Hoensbroek uiteenzettingen, verhoren, feiten of andere dergelijke schrifturen op perkament of anderszins heeft laten zetten van alle criminele procedures op de 29e juli laatstleden gevoerd, om de respectievelijke gedetineerden (...) te verhoren, maar wel gezien heeft dat genoemde substituut-secretaris een biljet van een half blad papier in de hand had, dat door niemand denkt hij ondertekend was. Het behelsde een soort memorie van de betichtingen van andere gedetineerden, dat moest dienen om de respectievelijke onderhavige gevangenen te beschuldigen: dat zij ondervraagd zijn geworden zonder dat de genoemde biljetten of memorie of tenminste niet allemaal bij  de akte gevoegd zijn, ja zelfs dat schepen Tosses menigmaal tegenover hem geklaagd heeft waarom dit alles niet op de rol gezet mocht worden, en dat op die manier niemand zou kunnen weten welke en hoeveel dagen ze de gedetineerden hebben verhoord etc. te meer daar hij nooit andere soorten van (¿ vraagakten ?)  in welke folteringen of examinaties dan ook gezien heeft.

Vierdens
dat geen van alle gevangenen die op dito Honsbroeck tussen voornoemde 29 juli  en 28 oktober (beide laatsleden) was, bekend heeft zonder daartoe gebracht te zijn door zware folteringen, en wel zodanig dat na een besluit tot scherper examinatie dezelfde gevangene twee, drie en vier keren gepijnigd werd op verschillende tijden, ja zelfs op verschillende dagen, en dat dit met Matthijs Ponts ongeveer zeven dagen geduurd heeft. en verder dat in het algemeen pas gestopt werd met pijnigen, als de gevangene bekend had wat hem voorgehouden was en bij die verklaring bleef.

Vijfdens
dat tijdens het ondervragen der gepijnigden gewoonlijk naar aanleiding van bepaalde feiten specifieke vragen gesteld werden over omstandigheden: of ze bij "deze" of "die" geweest waren, welk deel van de buit ze gekregen hadden. Over eventuele medeplichtigen ging dat als volgt: "Kent gij niemand in de Maanstraat  in Nuth, in Schinnen, aan de Heijsterbrug te Vaesrade". enzovoorts. Op die manier hadden ze de personen voldoende aangeduid wier namen ze graag wilden horen. De voornaamste rol bij deze specifieke ondervragingen werd gespeeld  door de substituut-secretaris Horsmans, in zoverre dat wanneer een gepijnigde op het punt stond iets te herroepen, deze Horsmans hem onmiddellijk van repliek diende door te zeggen, dat hij hem opnieuw op de pijnbank zou laten leggen.
dat hij, declarant, kan verzekeren dat geen enkele daad of medeplichtigheid daar aan toegegeven is zonder dat de beklaagde gefolterd was en dat bevestigingen  van bekentenissen alleen maar werden gedaan nadat er opnieuw gefolterd of daarmee gedreigd was.
dat verscheidene getortureerden verklaard hebben dat ze bereid waren vader of moeder te betichten, als dat verlangd werd. Hans Klinckers heeft dat inderdaad gedaan, waarbij hij smeekte niet te streng voor hen te zijn.
dat de declarant  als schepen deze Hans Klinckers terug naar de cel moest brengen nadat die met een zekere Houb Palmen was geconfronteerd.
dat hij deze Palmen voor de confrontatie had beschuldigd van zware diefstallen, maar dat hij tijdens de confrontatie had verklaard, dat Palmen slechts aan enkele boterdiefstallen had deelgenomen.
dat Hans Klinckers tijdens het terugkeren naar de cel hem, declarant, had gezegd dat Houb Palmen noch aan het stelen van boter noch aan enige andere diefstal schuldig was, maar dat hij, Klinckers, niet alle beschuldigingen tegen Palmen had durven intrekken, omdat hij wist dat hij dan opnieuw gepijnigd zou worden.
dat de declarant dit aan het college heeft gerapporteerd, maar dat dit college alles in de wind geslagen heeft en zelfs niets heeft laten opschrijven.

Ten laatste verklaart de declarant beslist te weten dat de gerechtsbode van Hoensbroeck heeft moeten bekennen, dat hij er een handje van had gepijnigden, als ze naar de cel werden teruggebracht, te vragen welke medeplichtige hij had genoemd tijdens de foltering, en dat hij later als hij een ander naar de beul moest geleiden, hem dezelfde medeplichtige of dezelfde bekentenissen suggereerde, zodat die gelijkluidende verklaringen zou afleggen, om maar van de kwelling verlost te worden.

De declarant herhaalde in tegenwoordigheid van ons, notaris en getuigen dat zich alles heeft afgespeeld zoals hij verklaard heeft.
Dat hij geen andere reden voor zijn verkalring had dan dat hij, na een gesprek  met een geestelijke onderricht zijnde, niet langer één wil zijn met kwaadwilligen, en die niet langer wil steunen als ze buiten orde en wet procederen in deze vreemde en droevige historie.
dat hij declarant bereid is al het bovengenoemde te allen tijde en onder ede voor bevoegde rechters te bevestigen, als hem dat gevraagd wordt.

Aldus is verklaard op bovengenoemde dag en datum ten huize van Matthijs Frissen te Aalbeek gelegen binnen de jurisdictie van Wijnandsrade, in tegenwoordigheid van de heer Theodorus Theunessen en voornoemde Matthijs Frissen, beiden als geloofwaardige getuigen speciaal voor deze gelegenheid uitgenodigd   en opgeroepen.



Leo. Creuwen
Theod. Theunnessen
Matthias Frissen
   quod attestor

   Jos. L'allemand
      nots pubs regnis

 

Naar boven

 EMAIL

 


















 

INHOUD

Afstammelingen van Bokkenrijders

ENTREE

Verzameld door John van Eekelen
Tekeningen © Maaike van Eekelen

REGISTER