DOCUMENTEN BOKKENRIJDERS


Entree            Documenten            Processtukken           Scherp examen

PROCESSTUKKEN

Antwoorden bij scherp examen van Joseph Breuwer
Kasteel Herzogenrath 14 en 15 mei 1773 ••• RHCL Maastricht Hs 102





                                                         Personeele respondeeringhe van den
                                                         gedetineerden Joseph Breuwer
                                                         bij scherpere Examinatie gedaen
                                                         op de Casteele van s'Hertogenraede
                                                         den 14 Meij 1773 ten overstaen van
                                                         d'heer Schouteth de Limpens,
                                                         de Schepenen Werden en Reumkens,
                                                         Ende mij J.F. Daelen - subst. greffier


Eodem et Coram iisdem is, gesisteert sijnde, in loco torturæ gecompareert den voorseijden gedetineerden Joseph Breuwer. Aen den ghenen voorgelesen het decret van tortur, gisteren in deses in judicio extraordinario beraemt en denselven bij serieuse territie aengemaent sijnde de waerheijt te bekennen, heeft over all in negativis blijven persisteeren. Is dienvolgens op den stoel van tortur gebonden, ende hem om acht uhren s'morgens de schruijven op sijne duijmenduijmen gestelt worden.
Den gedetineerde deese schruijven opgehadt hebbende elf minutten, en persisteerende in negativis, is hem den eersten stievel op sijn rechte been gestelt en geschruijft worden.

Naerdien den gedetineerden deesen stievel opgehadt heeft tot een en twintigh minutten naer acht ueren, heeft verclaert, van geassisteert te hebben aen den diefstal begaen op de pastorije van Hooghen. En dat hij twee daegh te voorens gegaen sijnde ten huijse van Adolf Steins, om aldaer een ret(?) te coopen, en denselven hem doens van den voorseijden diefstalte begaen kennisse gegeven hadde. Dat hij om naer Hoenghen te gaen stehlen, ontrent tusschen acht en negen ueren s'avonts gegaen ten huijse van voorseijden Adolf Steins, ende aldaer gevonden te heeft denselven, sijnen soon Lennert en sijne huijsvrouw. En van daer vorts gaende deselve ... gesellen toegegaen sijn op den Boscheler Bosch, ende daer gevonden hebben differente gesellen, waervan hij onder andere gekent heeft Peter en Godtfrod Pauwels, Vivats Willem, Peter Josph van Holthuijsen, Rochus peerdts knecht op den hoove. En van daer met deese gesellen vortsgegaen langs Oudt Merbaen op Schauvenbergh.

Den gedetineerdenvoorbrengende valsche circumstantiën, is om negen ueren voortgevaeren worden den voorseijden eersten stievel wat bij te schruijven. Wanneer den gedetineerden gesegt, dat op deesen cant van Schauvenbergh aen boomen, daer staende aen eenen voetpadt noch differente gesellen gevonden hebben, waervan hij gekent Wilhelmus Schieffers, Thijs en Thijsgen Schieffers, Albert Schleipen.

Den gedetineerden heeft nu versoecht buijten tourmenten gestelt te worden, onder versprecken dan de waerheijt beter te sullen seggen, hetgeen hem geaccordeert. En dus ontschruijft sijnde heeft verclaert, dat van de gesellen - gelijck voorschreeven sij gevonden aen den Bosscheler Bosch hij noch gekent heeft Henricus, schoonsoon van Peter Pauwels en poetgen-Engelen. Seggende te meinen, dat deesen schoonsoon Henricus hem met sijnen toenaem noemt Haemers. Dat vorts gaende op Hoenghen toe, sij noch differente gesellen gevonden hebben aen de Hoengher haeghen, waervan hij seijt gheenen gekent te hebben. En vortsgaende naer Hoenghen in, sij toegegaen waeren op het huijs van de Coster Kerckhoff aldaer en Albert Schleijpen daer ingegaen was de gesellen uijtroepen. En die daer uijtcomende hij daeraf gekent heeft Baltus Kerckhoff en sijnen voormelden broeder den Coster. Meinende oock dat daerbij was Thijsgen Engelen, gewoont hebbende achter de kerck tot Merxstein.
 
Seggende voorders van noch bij de voorseijden gesellen op deesen cant van Schauvenbergh gesien en gekent te hebben sijn broeder, den geëxecuteerden
Peter Breuwer. En dat hij noch bij de gesellen gesien Henricus Steins, Scheuerman, seeckeren Cobus de Vuss. En deesen Cobus den Vuss gevonden hadde bij de gesellen aen den Boscheler Bosch en de twee andere, Henricus Steins en Schuijerman bij hun gecomen waeren tusschen den Bosch en Oudt Mesbaen.
Verclaerende voorders, dat als wanneer de gesellen uijtquaemen uijt het huijs van den Coster tot Hoenghen, sij toegegaen waeren op de pastorije aldaer. Ende hij gedetineerden ontrent eenen worp weghs van dieselve pastorije af, op schiltwacht gestaen hadde, gearmeert met eene sachspistoel, daertoe gecommendeert sijnde door Baltus Kerckhoff. Dat hij niet en weet wie van de gesellen ende waer aen dieselve pastorije het loock gebroeken hebben, als dat hij van Lennert Steins heeft hooren seggen, dat Schuijrman daer gebroocken hadde. En dat hij dan ontrent eene uhr op schiltwacht gestaen hebbende de gesellen uijtquaemen. Seggende daer in de pastorije ingeweest te sijn Baltus Kerckhoff en sijn broeder den Coster van Hoenghen en dat Schleipen en de Schieffers packen waeren hebbende. Seggende van noch tot Hoenghen aen het huijs van den Coster aldaer noch te peert gesien te hebben, den Chirurgijn Kerckhoff van s'Hertogenraede. Ende dat daer noch te peert was Willem Ploum uijt de Vivat, en dat daer noch te peert was, aenhebbende eenen blauwen mantelen eenen houdt op, die hij niet gekent hadde. – En dat hij niet en weet wat aldaer gestoolen hebben, behoudelijck dat Peter Mullers hem geseijd hadde, dat sij de Monstrance aldaer gestoolen hadden. Dat hij evenwel niet en weet waer dieselve Monstrance verbleven ofte vercocht mochte wesen.
En dat hij vier of vijf daeghen daernaer gegaen was ten huijze van Albert Schleijten tot Merxstein, Baltus Kerckhoff, daer incomende hem voor sijn gedeelte van deesen diefstal gelangt heeft eenen schillingh.
Seggende den gedetineerden dat vorts gaende van Ubach op Hoenghen toe, onderweghens tusschen Ubach en Bosseler Bosch bij hun gecomen waeren Peter Mullers en sijn swaeger Derick.
Den gedetineerden verclaert wieders dat hij noch bij de voorseijde gesellen aen den Boscheler Bosch gesien hadde Renerus Crampen.
En dat Albert Schleipen hen geseijt dat bij de gesellen van Merxstein die stonden aen deezen cant Schauvenbergh noch waeren Wilhelmus aen den beerenbom en Schieffers Claes van de Worm.
En denselven Schleipen hem noch geseijt, dat oock daerbij geweest vollers Christ.
Seggende voorders dat noch aen deesen diefstal geassisteert hadden den jongh Joseph, den Pruijs.
En dat Peter Mullers hem geseijt, dat oock daerbij geweest Baltus van het Huijsken, Coen Kern, Willem van de Siep en Louppen
Seggende den gedetineerden noch bij de gesellen gesien te hebben Joseph van de Sanckel.

Den gedetineerden voorders weijgerende de gesellen te noemen, is hem twintigh minuttenvoor elf uhren den voorseijden stievel wederomme op sijn rechte been geschruijft worden. Den gedetineerden deesen stievel opgehadt hebbende acht minutten, heeft geseijd  noch bij de gesellen gesien te hebben Scheijen Petter van Horbach, genoemt gelijck hij meint Ploum met sijnen toenaem., en dat Derick den haemmaecker hem geseijt, dat oock daerbij geweest Peter Holthuijzen.

Den gedetineerden versoekende nu buijten tourmenten gestelt te worden onder versprecken dan de waerheijt oprechtelijck te sullen bekennen, het gene hem geaccordeert. En dus buijten tourmenten gestelt sijnde, heeft verclaert dat Albert Schleipen hem geseijt dat oock daerbij geweest eenen schoonmaecker van Merxstein, getrouwt en woonende iet boven den bourgemeester Schwartz, in de wandelinghe genoemthet cla[r]inetten mantgen, waervan hij ... den naem niet en weet. Seggende van noch daerbij gesien te hebben den ouden Rootcrans met sijne twee soonen, Wilhelmus en Nicolaes, den Crichel Peter van Merxstein. Dat hij noch van Lennert Steins heeft hooren seggen, dat daerbij geweest den schoonmaecker Otten.

Den gedetineerden verclaert noch mede uijtgeweest te sijn om te stehlen op den hoove onder Ubach. En dat om daernatoe te gaen op denselven avont tot hem gecoemen waeren Rochus en Peter Muller en hij met dieselve was gaen aenroepen Lennert Steins. En dat hij met dieselve was gegaen op den hove toe, alwaer sij op den Driesch aldaer gevonden hebben d'andere gesellen, waervan hij gekent haemmaeckers Derich, den ouden haemmaecker, Butze Nelles, Otten, Baltus van het huijsken, Peter Holthuijsen, Schuijrman, Pruijs, Dammer Hensgen, den jongh Joseph, Adolf Steins, Henricus Steins, Joseph van de Sanckel, Coen Kern, Willem op de Siep, Lennert Louppen, Teecklen Vuss, Renerus Crampen, Lennert met de laem handt, die veldschut geweest, Poetgen Engelen, Henricus Kremers, Peter Pauwels met sijnen soon Godtfort, Peter Joseph van Holthuijsen, Peter Breuwer. En dat hij van Albert Sleipen had horen seggen, dat Joannes Schwartz uijtter Hostart oock daerbij geweest was.

Soe wel als bij den diefstal van Hoenghen, alwelcken Schleipen hem noch geseijt, dat oock daerbij geweest was Vollers Christ. Seggende van noch op den hoove Driesch bij de gesellen gesien te hebben Wilhelmus aen de Beerenboom, den ouden Rootcrans met sijne soonen, Crichel van Mexstein, Albert Schleipen, Baltus Kerkhoff, Coxen Christian van Merxstein, – woonende aldaer in Zentissen huijs waer oock woont d'heer capellaen Wolters, niet weetende desselfs toenaem, meenende nochtans dat hem lose noemde, – het clarinetten mäntgen van Merxstein, Thijsgen Engelen, Caemer Ruth, Scheijen Petter uijt Horbach, getrouwt met eene vrouw persoon uijt Ubach, Staende alle in eenen trop. Noch Mathijs Hermans, Merten Neulen, en noch differente Gülicker waeraf hij gekent heeft den saler van Beggendorp, eenen genoemt Kiespetter, woonende tot Immendorp of tot Worcken. Seggende den gedetineerden voorders, dat sij gesellen op den hoove Driesch bij malcanderen sijnde en hij staende bij de achterste gesellen, gehoort heeft seggen dat Lennert met de laem handt op dien hove opgeweest, en daer de luijden op waeren ende dat daeromme sij gesellen hebben moeten vertrecken sonder den voorhebbenden diefstal te hebben connen volvoeren.

Den gedetineerden verclaert nu dat bij de voorstaende Complotteringhe om te stehlen op den hove onder Ubach soo wel als bij den beschreeven diefstal van Hoenghen, hij onder de gesellen gesien en gekent hadde eenen herbergier woenend aen de Kleijck, smael en langh van postur, genoemt Kessels.

Heeft noch verclaert geassisteert te hebben aen de diefte in actis vermelt, geschiet tot Wijnandtsraede. En dat hem ten eersten van deezen diefstal den aenslaghgegeven heeft Derick den Haemmaecker, sulx s'daeghs vorens om den middagh ten tijde dat hij gedetineerden in den broeck tot Ubach ginge waeter haelen. En dat des avonts om daer naertoe te gaen met hem uijt Ubach gegaen sijn Derick den Haemmaecker, den voorseijden Rochus, en Lennert Steins. En d'andere al voorgegaen sijnde sij den wegg genoemen hebben over den Hostart onden in de moelen van Nevelstein. Alwaer differente gesellen in het huijs inwaeren en hij gedetineerden met de voorseijde gesellen die met hem gegaen is buijten blijven staen, wachtende tot de andere gereit waeren. En daer eenighen tijdt gewacht hebbende uijt qaemen den pachter Christian de voller, Peter Pauwels, Adolf en Henricus Steins, Joseph van Sanckel. En dat hij de andere die daer uijtquaemen niet gekent en hadde. En dat hij van de buijten het huijs staende gesellen gekent hadde den Pruijs, Dammer Hensgen. En dat sij van daer met sommige gesellen den wegh genoemen heeft door Eijgelshooven, gaende differente andere door eenen anderen cant op Wijnandtsraede toe. Dat sij niet verre van Wijnandtsraede bij malcanderen gecoemen waeren. Verclaerende wieders van doens noch gesien te hebben Baltus Kerckhoff, Peter Crichelbergh, den ouden Rootcrans met sijnen soon Nicolaes, Thijs Schieffers, Thijsgen Schieffers, Schieffers Claes van de Worm, Lennert Louppen, Albert Schleipen, Peter Breuwers, Thijsgen Engelen. Seggende voorders dat Derick den haemmaecker hem geseijt, dat Peter Mullers medevooruijt daernaertoe was. Endat Derick hem oock geseijt, dat Reijnerus Crampen met de andere vooruijt daerna toe was. Corrigendo seijt van denselven Derick den Haemmaecker oock hebben hooren seggen, dat voorseijde Lennert Louppen oock daerbij geweest en met de andere vooruijt gegaen was. En dat Albert Schleipen hem geseijt, dat Lennert met de laem hand oock daerbij geweest. Seggende van noch daerbij gesien te hebben Butze Nelles, Wilhelmus Rootcrans, Vivats Willem. Seggende oock van daerbij gesien te hebben, het clarinetten mentgen van Merxstein sijnde bij Baltus Kerckhoff ende Peter Plaum van Horbach, Godfrit Pauwels, Willem op de Siep, Peter Joseph van Holthuijzen. En dat hij van Derick den Haemmaecker oock hadde hooren seggen dat Peter Holthuijsen daerbij geweest. Seggende van Poetgen Engelen daerbij gesien te hebben, gelijck oock Henricus Haemers. Seggende de voordere gesellen niet gekent te hebben. En dat Baltus Kerckhoff hem daer cort aen de haeghen van Wijnandtsraede in het velt hadde doen op schiltwacht staen, sijnde hij gedetineerden gearmeert met eenen stock. Gaende denselven Baltus met differente andere op het huijs toe. Dat hij gedetineerden, vermijts verre van het huijs was afstaende, niet en weet, wie van de gesellen aldaer gebroocken, en hoe sij in het huijs aldaer ingecoemen. En dat hij daer ontrent anderthalf uer op schiltwacht gestaen hebbende bij hem quam Albert Schleipen, seggende dat sij daer niet en hadden connen incomen. En den gedetineerden voorders seggende dat de gesellen hem weis gemaekt hadden dat daer niet ingeweest waeren, en dat hij niet van deeszen diefstal geprofiteert en hadde.

Is om halver vier wederomme op den stoel van tortur gebonden worden. En gebonden sijnde heeft verclaert, dat hij onschuldigh geaccuseert was, en dat alles wat hij geseijt hadde niet waer en was, sijn hem dienvolgens seventhien minuten voor vier ueren de schruijven andermael op sijne duijmen gestelt worden. En deeze schruijven op gehadt hebbende tot halve vijf, is hem eenen stievel op sijn rechte been gestelt worden. En deezen stievel opgehadt hebbende een half vierdel, heeft verclaert aen de voorseijde dieftens en Complot geassisteert te hebben, als oock alle de voormelde door hem genoemde gesellen, en dat hij wederroepen hadde ter oorsaecke dat hij hem wilde onschuldigh maecken. En den gedetineerden beloovende wieders de oprechte waerheijt te sullen seggen, is ontschruijft en ontbonden worden.

En ontbonden sijnde heeft verclaert, dat Lennert Steijns hem geseijt hadde, dat Baltus Kerckhoff, Peeter en Godtfrit Pauwels tot Wijnandtsraede ingeweest waeren. En dat de Pruijs hem geseijt hadde, dat Nicolaes Rootcrans den jongen een pack gedraegen, en dat Derick den haemmaecker hem geseijt, dat sij daer gelt gecregen. En dat naer den gepasseerden diefstal, hij gedetineerden van Wijnandtsraede vortgegaen met Albert Schleipen, sijn broeder Peter Breuwer, en noch eenen die hij niet precies en weet te seggen. En dat sij al vortgaende onder weghens noch bij hun gecoemen waeren den Pruijs, Schuijrman, Schieffers Claes, haemmaeckers Derick. Ende Hij met voorseijde Albert Schleipen, den Pruijs, en sijn broeder Peter Breuwer door Eijgelshooven gegaen sijn op de Nevelsteiner Moelen toe. En dat daer den Sleijpen van hun vortgegaen op Merxstein toe, en hij gedetineerden met den Pruijs en sijnen voorseijden broeder toegaende op de Hostert, alwaer sijnen broeder verbleven, en hij gedetineerden met den Pruijs op Ubach toegegaen. En dat de andere gesellen te rugge blijvende, en hun opvolgende, – den Pruijs hem eenige daeghen daernaer geseijt heeft, – dat die noch onderwegens ingeweest waeren, alwaer sij wel gedroncken.

Den gedetineerden gevraegt sijnde in welck huijs en ter wat plaetze, weijgerende van sulx te seggen is op den stoel van tortur gebonden ende hem vier minutten voor halver ses eenen stievel op sijn rechte been gestelt worden. Den gedetineerden blijvende persisteeren van niet te weeten, en dat de Pruijs hem niet geseijt en hadde in wat huijs en ter wat plaetse de gesellen in het te rugge comen van lestgemelden diefstal irgents ingeweest waeren  en daer wel gedronken hadden. Over hunne discoursen en sprecken andere luidens qaemen hun voorbij gaende die hun in hunnen discoursen verstoort en den Pruijs belet van hem te seggen waer de gesellen ingeweest waeren.
Den gedetineerden voorders belovende van d'oprechte waerheijt te sullen bekennen, is hij ten ses uhren ontschruijft en ontbonden worden, wanneer verclaert heeft dat den haemmaecker Derick hem eenighe daeghen daer naer aen de keigelban in het cleen broeck tot Ubach twee schillingen voor sijnen loon van deezen diefstal gegeven hadde.

Den gedetineerden verclaert noch geweest te sijn bij de diefte in actis vermelt, geschiet tot Immendorp. En dat s'daeghs te vorens ontrent de middagh Derick den haemmaecker hem het comen aencondighen van dezen diefstal te begaen. En dat sij doens aen den avont volgens afspraeck gegaen was aen het eijnde van Ubach ontrent aen het huijs van Crampen, alwaer sij op de straet bij malcanderen quaemen. En dat hij aldaer gevonden heeft Derick den haemmaecker, en Peter Muller, Lennert Steins en Rochus. En sij vandaer op den Vivat toegegaen sijn, en Lennert Steins aldaer ingegaen was,, blijvende d'andere gesellen met hem buijten staen. En sij enighen tijdt daer gestaen hebbende, uijtquaemen Baltus Holthuijzen, Lennert Louppen, Willem van den Siep, Lennert Steins, Adolf en Henricus Steins, Joseph van den Sanckel, Teeklen Vuss, Peter Joseph van Holthuijzen ende Vivats Willem, welcken lesten, naer dat bij hunne Compagnie gestaen hadde, wederom te rugge kerde. Dat hij evenwel het hooren seggen, dat denselven wederom naer gecomen en aen deesen diefstal mede geassisteert hadde. En dat sij hun verdeilende in twee partijen, hij gedetineerde met sommighe van de voorseijde gesellen op Immendorp toegegaen is nemende den wegh door den Worcker bosch. En de andere partije van hunne gesellen op Immendorp toegegaen is den wegh nemende door de Hasselder straet. En sij beijde partijen wederomme bij malcanderen gecomen sijn aen het eijnde van Immendorp, alwaer noch bij hun gecoemen sijn den Pruijs, Dammer Hensgen, Lennert met de laemhandt, Renerus Crampen. Ende dat Derick hem geseijd hadde, dat den jongh Joseph, die ten eersten hier gevangen geweest, oock daerbij geweest was. Seggende dat daer noch bij hun gecomen Renerus Engelen, Henricus Haemers, Peter Holthuijsen, sijn broeder Peter Breuwer, Albert Schleipen, Baltus Kerckhoff, Thijs Schieffers, Thijsgen Schieffers, Wilhelmus Schieffers, het clarinetten mantgen van Merxstein, Thijsgen Engelen,. En dat Albert Schleipen hem geseijt, dat oock daerbij geweest voorseijden Coxen Christian van Merxstein. Dat daer noch hij gesien den ouden Rootcrans met sijnen soon Micolaes, Schiefers Claes van de Worm, Wilhelmus aen den benenboom op de Worm, Wilhelmus Rootcrans, Kiespetter van Immendorp of Worckende, noch eenen van Immendorp aenhebbende eenen blauwen toekiel die hij niet en kende. Oock twee uijt Willer, aefliegende van Immendorp een of anderthalf uer, waeraf eenen vusse haaren hadde, aenhebbende eenen bruijnen huijrberichs rock, en den anderen hebbende swerte haeren aenhadde eenen witten kiel, van welcke twee hij geenen gekent en heeft.
En dat de gesellen doens op het huijs toegegaen sijn waer sij gingen stehlen, blijvende hij gedetineerden buijten Immendorp op schiltwacht staen aen het velt, gearmeert met eenen stock, en daertoe gecommandeert door Baltus Kerckhoff, welcken lesten versien was met twee messen. Hebbende sommige van de andere gesellen sackpistoolen. Dat hij gedetineerden, vermits hij verre van het huijs afstonde niet en weet waer de gesellen gebroocken en ingecoemen sijn. Ende oock en niet weet, welcke van dieselve in het huijs ingegaen sijn, als dat hij heeft hooren seggen, dat Baltus Kerckhoff ingeweest was. Seggende van ontrent twee ueren op schiltwacht gestaen te hebben, wanneer ten eersten bij hem quaem sijnen gemelden broeder, die wat onder hem op schiltwacht gestaen, sonder hem iet te seggen maer al vortgaende, mits hij de andere saegh te rugge coemen en daernaer bij hem quaem den Pruijs, seggende dat de andere gesellen oock quaemen. En dat hij niet en weet wat de gesellen aldaer gecregen hadden, als dat haemmaeckers Derick hem geseijt, dat daer silverwerck gecregen. Seggende dat Baltus Kerckhoff een cleen packsgen hadde, en Albert Schleipen een groot pack. En dat hij gedetineerden naer dat Lennert Louppen, – die hij vermeent daer oock ingeweest te sijn, – hem geseijt hadde dat sij hem souden te vreeden stellen, naer sijne wooninghe tot Ubach gegaen is. En dat ontrent vier daghen daernaer Albert Schleipen tot Ubach hem voor sijn gedeelte van deesen diefstal gelangt heeft anderthalve schillingh.
Seggende dat noch aen deesen diefstal geassisteert hadde Coen Kern, en dat aen desen en andere voorgaende door hem bekende dieftens noch geassisteert Joseph Dammers.

Mits den Avont is tusschen seven en acht uhren gecesseert geworden tot mergen vroeg.

–––––

Op heden den 15 meij 1773 is wederomme, gesisteert sijnde in loco torturæ coram iisdem, gecompareert, den voorseijden gedetineerden Joseph Breuwer, den ghenen aengemaent sijnde de oprecht waerheijt voorders te seggen, heeft verclaert:
Dat aen de door hem bekende en op gisteren beschrevene dieftens ende complot noch beneffens hem en de gesellen door hem genoemt, geassisteert hadden den cuijpe van Merxstein met sijnen soon, oock Frans Willem den schlachter van Broechuijsen met sijnen oudsten soon.

Den gedetineerden verclaert noch geassisteert te hebben aen de diefte in actis, geschiet tot Wurm. Wanneer hij gedetineerden alhoewel getrouwt sijnde ontrent de drij maenden bij Mathijs Hermans tot Suugeraet in de moelen gewoont en gewerkt heeft, welcken Mathijs Hermans hem doens s'avonts voor het begaen van deesen diefstal den aenslaegh gegeven. En hij met denselven Hermans van Suggeraet, niet verre afgelegen van Wurm, op Wurm toegegaen, en gecoemen sijnde tot aen de Wurmer haeghen daer een hoop gesellen hebben vinden staen. Waervan hij gekent heeeft Joseph Dammers, Lennert en Henricus Steins, Joseph van de Sanckel, Peter Mullers, Derick den haemmaecker, Teeclen Vuss, Baltus Kerckhoff, Thijsgen Schieffers, Wilhelmus Schieffers, Thijs Schijffers, Albert Schleipen. En seijt dat de andere gesellen, voorop naer Wurm in waeren, en dat hij niet en weet te seggen welcke die geweest. En dat doens de voorseijde bij hem sijnde gesellen van hem voortsgaende naer het dorp Wurm in, hij aen de haeghen van dito Wurm heeft blijven op schiltwacht staen, gearmeert met eenen stock en daertoe gecommandeert door Baltus Kerckhoff. En dat Mathijs Hermans niet verre van hem af oock op schiltwacht was staende. En dat ontrent twee uhren daer op schiltwacht gestaen hebbende ten eersten bij hem quaem den langen Schieffers Thijs, hem seggende, dat het gedaen was, dat de andere oock quaemen. En dat hij doens met denselven Schieffers Thijs en Matthijs Hermans gegaen was naer voorseijde moelen tot Suggeraeth. Alwaer denselven Thijs overnacht verblijven des morgens met den molenaer Mathijs Hermans gegaen op de Hostart of Merxstein toe, daernaer hij Thijs wedercomende met hunnen meester Mathijs Hermans hem voor sijn gedeelte aen deesen diefstal gelangt heeft anderthalven schillingh. Seggende voorders niet te weeten, wie van de gesellen tot Wurm gebroocken, oock niet, waer die daer ingecoemen, noch wie ingeweest, als oock niet wat sij aldaer gecregen, en gestoolen hebben. En dat hij oock ghene met packen gesien hadde, mits hij vooraef was vortgegaen.

Den gedetineerden weijgerende te bekennen de voordere dieftens waer van hij in actis geaccuseert, en waerover hij der tortur verwesen, is is op de stoel van tortur gebonden, en hem een en twintigh minutten naer acht ueren eenen stievel op sijn recht been gestelt worden. En opgehadt hebbende tot een vierdel voor negen uhren, heeft verclaert geassisteert te hebben aen den in actis vermelden diefstal begaen aen de handt. En dat hij tevoorens geseijt hadde van niet bij deesen diefstal geweest te sijn, sulx gedaen hadde in meeninghe dat men hem soude gelooven van niet bij deesen diefstal gewest te sijn, vermits hij doens tot Eerderen binnen den lande van Gulich  verre van de handt af was woonende. Seggende dat Eideren van de handt afgelegen was derdenhalf uer.
Wanneer den gedetineerden ontschruijft en ontbonden geworden, wanneer verclaert heeft, dat hij des daeghs vorens naermiddag ontrent ten ses ueren van Eerderen vortgegaen was om te gaen naer den schatheffer tot Merxstein, bij welckers schoonmoeder hij tot Ederen was wonende, ten eijnde van aen denselven tijdinge te brengen van sijne vrienden. En comende in Scherpstraet tot Merxstein bij Albert Schleijpen denselven hem geseijt hadde van daer naer bij hem te coemen. En hij gedetineerden doens gaende tot voorseijden schatheffer en naer dat hij avontbroodt daer gegeijten van daer vort gegaen, op pretent van te gaen vrijen, tot voorseijden Albert Schleijpen. En dat hij denselven Schleipen ten sijnen huijse vindende, met hem gegaen is tot Baltus Kerckhoff in Merxstein. En sij daer beneffens Baltus ten sijnen huijse waeren vindende de haemmaeckers Peter en Derick, Joseph den jongh, – ten eersten hier gedetineert geweest sijnde, die doens daar dien avont de boeter gestaeten hadde, – Frans Willem de schlachter van Broechuissen met sijnen oudesten soo soon, – meenende dat denselven soon hem oock Frans Willem noemde, seggende ten minsten, dat eenen desselfs soonen hem soo noemde, maer niet te weeten, of het is den oudsten, of den jongsten. –  En dat den Schleipen iet voor hun was uijtgaende, peijzende hij gedetineerden, dat hij doens de andere gesellen van Merxstein aengeroepen heeft. En sij daerna ten huijse van Baltus uijtgaende tot aen de pastorije tot Merxstein, aldaer gevonden hebben voorseijden Schleipen, en noch andere gesellen, waervan hij gekent heeft den cuijper en desselfs soon, Wilhelmus Schieffers, Thijsgen Schieffers, Schieffers Thijs met clarinetten mantgen, Coxen Christian meergenoemt, Thijsgen Engelen, Crichel, den ouden Rootcrans met sijne twee soonen, sijn broeder Peeter Breuwer, Schieffers Claes, Wilhelmus aen den barenboom op de Worm. Dat van daer sij gegaen op Baelsbruggen toe, alwaer sij de Worm gepasseert en noch gesellen gevonden hebben, van welcke hij gekent Henricus Steins, Adolf en Lennert Steins, Coen Kern, Dammer Hensgen, Joseph van de Sanckel, Teecklen Vuss, Pruijs, Scheurman, Joseph Dammers, Poetgen Engelen, Renerus Crampen, Henricus Haemers, Lennet Louppen, Willem op de siep, Butze Nellis, Otten, Rochus, Baltus van het Huijsken, Vivats Willem, Peter Joseph van Holthuijsen, Lennert met de laem handt, vollers Christ. Dat van daer sij gegaen langs Cloosterrode, en achter Cloosterrode boven aen de straet, waer de Cloosterrode kohlkuijl gaet noch hebben vinden staen vier gesellen waervan hij gekent den Chirurgijn Kerckhoff van s'Hertogenraede, en den Kessels den herbergier aen de Kleick. Seggende de andere twee niet gekent te hebben. En sij vortsgaende over Steenbosch, hij gedetineerden daer met sommige gesellen over de gemeente op het huijs aen de handt toegegaen, en dat sommige van de gesellen den wegh op de handt toenaemen langs het hoendoorgen de Aacher straet naer, en wederomme bij malcanderen gecoemen aen de handt aen de haeghen. Alwaer hij uijt order van van Baltus Kerckhoff is blijven op schiltwacht staen, gearmeert met eenen stock en d'andere gesellen op het huijs aen de handt toegegaen. Niet weetende hij gedetineerden nochtans waer die daer ingebroocken, en ingecomen sijn. mits hij daervan af op schiltwacht gestaen. En dat de Sleipen hem geseijt hadde, dat daer ingeweest waeren Baltus en den Chirurgijn Kerckhoff. Seggende dat deesen lesten daer te peert geweest. En dat hij Sleipen oock daer ingeweest, noch Lennert Louppen, Lennert en Henricus Steins, Joseph van de Sanckel, Teeklen Vuss. En dat hij ontrent anderthalf aldaer op schiltwacht gestaen hebbende, bij hem quaem sijn broeder en haemmaecker Derick, seggende dat de andere gesellen oock gecoemen. En hij gedetineerden doens met deese twee, Butzes Nelles, Otten en Peter Mullers gegaen is tot Baelsbruggen, alwaer den gedetineerden den Worm gepasseert, gegaen is ten huijse van voorseijden schatheffer tot Merxstein, aldaer in den stal slaepen. Blijvende de andere gesellen bij Baltus Kerckhoff die hun op volghde. Dat hij niet en weet, wat goederen en effecten aldaer gestoolen hebben, als dat Albert Schleijpen den daegh daernaer hem twee schillingen gegeven heeft van deesen diefstal.

Den gedetineerden verclaert oock geweest te sijn bij de diefte in actis vermeld, geschiet tot Cloosterrode. En dat hij des daeghs te vorens naer middagh ontrent ten twee uhren comende bij Albert Schleipen tot Merxstein, denselven hem seijde dat hij aen den avont soude tot hem coemen. Hij gedetineerden doens wederom naer sijne woninghe in Ubach te rugge gekert, hij des avonts alleen van Ubach tusschen daegh en avont naer Merxstein tot den Sleijp toegegaen is. En hij denselven Schleipen alleen te huijse vindende, Baltus Kerckhoff daernaer daer in quaeme. En denselven Baltus weder uijt gaende, den gedetineerden hem opgevolgt is en met hem Baltus gegaen is naer de pastorije toe van Merxstein. En hij aen deese pastorije wat staen wachtende, van de andere gesellen daer bij quaemen den cuijper met sijnen soon, den Schleipen, Schieffers Thijsgen, Wilhelmus Schieffers, clarinetten mentgen, Schieffers Thijs, Crichel, Coxen Christian, Thijsgen Engelen, den ouden Rootcrans met sijne twee soonen. En sij van daer gaende naer het hof boschgen, daer bij quaemen van de Ubacher gesellen Adolf Steins, Lennert en Henricus Steins, Coen Kern, Joseph van de Sanckel, Teeklen Vuss, Peter Pauwels, Godtfrit Pauwels, Pruijs, Poetgen Engelen, Schuijrman. Joseph Dammers.
En sij van daer gegaen sijn op Baelsbruggen toe over de Worm, alwaer noch bij quaemen Renerus Crampen, Henricus Haemers, Lennert Louppen, Willem op de Siep, Butze Nelles, Otten, Rochus, Peter Breuwer, Vollers Christ, Schieffers Claes, Wilhelmus aen den Beerenboom, en van daer op de abdije van Cloosterrode toegegaen sijn. En dat hij gedetineerden niet en weet of daer noch meer gesellen waeren ofte niet. En hij gedetineerden aen den haspel naer s'Hertogenraede toe op schiltwacht gestaen hadde, gearmeert met eenen stock, daertoe gecommendeert door Baltus Kerckhoff. Seggende dat onder aen de vijvers naer s'Hertogenraede oock eenen op schiltwacht gestaen hadde, die hij nu niet en weet te seggen. En dat noch eenen over in de weijde van d'abdije was staende, die hij oock niet en weet te seggen. Seggende voorders van niet te weeten, waer de gesellen in de abdije ingecoemen waeren. En dat den voorseijden cuijper die aldaer op de abdije was werkende, den aenslaegh tot deesen diefstal gegeven hadde, seggende aen hun, Combt maer, ik weet wel waer sullen incoemen. En dat hij niet en weet, wat aldaer gestoelen hebben, als dat den Schleipen hem gesegt dat aldaer lijnewant gecregen. Dat hij aldaer op schiltwacht gestaen hebbende ontrent vij vierdel uhr bij hem quaem sijn broeder Peter Breuwer en haemmaeckers Derick, hem seggende dat de gesellen quaemen. En dat sij van daer vortsgaende door den Cloosterroder bosch, onden in dien bosch bij hun quaem meergeleden cuijper hebbende een pack. Niet wetende hij gedetineerden wat daerinne was, als dat men hem geseijt, dat daerinne lijnewandt was. En dat den Schleipen hem geseijt, soo sij noch eene deure opgecregen dat dan aen het silverwerck gecoemen. En gaende van daer op Baelsbruggen toe, van waer de andere gesellen op Merxstein toegegaen sijn, en hij gedetineerden met sijnen broeder naer den Hostart toe. En hij gedetineerden van daer naer sijne wooninghe op Ubach toegegaen is. En dat drij of vier daghen daernaer hij gedetineerden, gegaen sijnde ten huijse van Albert Schleijpen tot Merxstein, denselven hem van deesen diefstal gegeven hadde eenen schillingh.

Den gedetineerden heeft geseijt van den eedt in de bende gedaen te hebben twee daegen te vorens allen naer de handt gingen stehlen, sulz op den St. Lennerts bergh. En dat hij ten dien tijde ontrent acht daeghen geweest hadde bij den schathaffer tot Merxstein. En dat hij in dien tijt weel s avonts bij Albert Schleipen was gaende, die hem vraeghde of hij eens mede naer s'Hertogenraede ginge. En dat sij doens dens avonts tusschen negen en thien ueren met hem Schleijpen vortgaende, comende langs het huijs van Baltus Kerckhoff den Schleipen daer in ging, en hij gedetineerden daer wat blijft wachten. En Schleijpen gelijck daerop uijtcomende, hij gedetineerden met denselven naer de pastorije tot Merxstein toegegaen is, volgende Baltus Kerckhoff hen op. En dat daer aen de pastorije noch bij quaemen Thijsgen Schieffers, Wilhelmus Schieffers, den ouden Rootcrans met sijnen soon Niclaes en den Crichel, oock Schieffers Thijs, en van daer naer St. Lennerts bergh toegingen. En hij gedetineerden doens voor de duhr van de Capelle aldaer in handen van Baltus Kerckhoff den eedt moeste doen. Welcken Baltus aldaer veele ceremoniën mackde, en eene heele predigh hiel. En daer twee Kertsen aengestecken wierden en Baltus hadde hem doen op die knie sitten. En hij daer godt moeste afsweeren en alle lieve heijligen, en den duijvel toe. En dat hij daer moeste belooven, sij hij gevengen wierde, dat hij niemant van de gesellen soude accuseeren, en dat hij oock niet en soude openbaeren aen wie het zij, nochte aen sijne huijsvrouw noch aen sijne vrienden iet het minste raeckende hunne bende. En dat hij doens sijnen naem moeste seggen en Baltus die op een pampier aengeteeckent heeft, hetgene onderschreeven wierde door Crichel en Rootcrans.

Den gedetineerden verclaert noch geweest te sijn bij den diefstal in actis vermelt, geschiet tot Hunshoven. En dat s'daegs te vorens ontrent de middagh Peter Muller comende ten sijnen huijse hem ten eersten van deesen diefstal te begaen, gesproeken hadde. Dat om aen deesen diefstal te assisteeren hij gedetineerden s'avonts gegaen sijnde van sijn huijs door den cleenen broeck tot op het hilvert, daer heeft vinden staen Lennert Steins, Rochus en Baltus van het huijsken. En dat daer noch bij hun quaemen Peter Muller en Derick den haemmaecker, Lennert Louppen, Willem op de siep, Pruijs, Schuijrman, Joseph Dammers, Poetgen Engelen. Dat van daer sij gegaen tot achter den hoove, alwaer sij gevonden hebbenTeeklen Vuss, Peter en Godfrit Pauwels, Dammer Hensgen, Joseph van de sanckel, Adolf en Henricus Steins, Coen Kern, Renerus Crampen, Henricus haemers, Peter Holthuijsen. Corrigendo seijt dat hij Peter Holthuijsen reets gevonden hadde staen op den hilvert bij d'andere voornoemde gesellen. Dat sij noch achter den hoove gevonden Lennert met de laem handt, sijns gedetineerdens broeder Peter Breuwer, Albert Schleijpen, Vivats Willem, en Peter Joseph van Holthuijsen. Dat van daer sij gegaen op Hunshoven toe, en niet verre van Hunshoven noch gevonden hebben vollers Christ, Wilhelmus aen den beerenboom, Schieffers Claes, den cuijper van Merxstein met sijnen soon, den ouden Rootcrans met sijne twee soonen, Thijsgen Engelen, Coxen Christian, het clarinetten mentgen van Merxstein, Schieffers Thijs, Wilhelmus Schieffers, der Crichel, Thijsgen Schieffers, Baltus Kerckhoff, Peter Ploum uijt de Scheij. Dat vorts gaende op Hunshoven toe, hij gedetineerden aen den Hunshover hof was blijven schiltwacht houden gearmeert met eenen stock, hiertoe gecommandeert door Baltus Kerckhoff. Welcken Baltus met de andere gesellen op de pastorije aldaer toegingen. Seggende hij gedetineerden dat Derick den haemmaecker in den wegh naeder bij dieselve pastorije oock schiltwacht gehouden. En dat hij niet en weet waer de gesellen in de pastorije ingecoemen noch wie ingeweest, behalve dat Albert Schleipen hem geseijt, dat daer ingeweest Baltus Kerckhoff, Teeklen Vuss, Joseph van de Sanckel. Dat hij gedetineerden ontrent anderthalf uhr schilwacht gehouden hebbende, bij hem quaemen voorseijden Derick den haemmaecker, Albert Schleipen, sijns gedetineerdens voorseijden broeder, Renerus Crampen en Henricus Haemers, seggende dat d'andere oock op den wegh waeren om vorttegaen. Met alwelcke gesellen hij seijt voorop vort op huijs toe gegaen te sijn. En dat Albert Schleipen onder weghens seijde, dat Godtfrit Pauwels en Joseph van de Sanckel packen gehat, sonder edoch te seggen wat daerinne was. Seggende hij gedetineerden oock niet te weeten wat in voorseijde pastorije was gestoolen worden. En dat den voorseijden Albert Schleijpen onderweghens noch geseijt, dat d'andere gesellen den wegh te rugge genoemen hadden op den hof ter Loe (?) toe. En seijt, dat s'sondaeghs naer deesen diefstal Vivats Willem hem op den kercken wegh voor sijn gedeelte daeraf gelangt hadde en derthalven schillingh.

Den gedetineerden verclaert oock mede uijtgegaen te sijn ende gecomplotteert geweest te sijn om te stehlen op den hof Drinhuijsen onder Ubach. En dat s'daeghs van te vorens ontrent ten drij uhren naer noen hij gedetineerden sijnde ten huijse van Baltus van het huijsken, desen hem ten eersten daervan gesproken. En dat s'avonts met hem op Drinhuijsen toegegaen denselven Baltus, Rochus, Peter Holthuijsen, Lennert Steins, Peter Mullers, Derick den haemmaecker. En vortsgaende onderweghens op de siep bij hun quaem Willem van de siep, Lennert Louppen. En noch iet vortgegaen sijnde, ten eersten bij hun quaem Renerus Crampen, en daernaer oock Henricus Haemers. En Zij den wegh vervolgt hebbende tot aen de Drinhuijser weijde aen het valderen op den Driesch, daer noch gevonden hebben Schuijrman, Joseph Dammers, Poltgen Engelen, Pruijs, Teecklen Vuss, Peter Pauwels, Godtfrit Pauwels, Joseph van de Sanckel, Adolf Steins, Henricus Steins, Coen Kern, Dammer Hensgen, Vivats Willem, Peter Joseph van Holthuijsen. En dat daer noch naer hun quaemen vollers Christ, Schieffers Claes, Wilhelmus van den Berebom, den cuiper van Merxstein met sijnen soon, den ouden Rootcrans met sijne twee soonen, Crichel Thijsgen Engelen, Coxen Christian, het clarinetten mentgen, Schieffers Thijs, Wilhelmus Schieffers, Thijsgen Schieffers, Baltus Kerckhoff, Albert Schleijpen, sijn broeder Peter Breuwer, Peter Ploum uijt de Schleij. En dat daer noch meerdere gesellen geweest die hij niet gekent en heeft. Dat sij gesellen daer bij malcanderen sijnde eenighe van hun op den hof Drinhuijsen toegingen, die iet daernaer te rugge quaemen en seijden, dat daer niet conden door coemen. mits de luijdens op waeren. En sij gesellen doens vort en hij gedetineerde op huijs toe gegaen is.

Den gedetineerden verclaert oock geweest te sijn bij den diefstal uijtgewerckt tot Ubach aen het velt. En dat s'daeghs te vorens ontrent ten een uer naer noen hij gedetineerde, passeerende door den loddes(?), Peter Muller hem daer ten eersten van deesen diefstal te begaen gesprocken heeft. Dat om aen desen diefstal te assisteeren hij gedetineerden s'avonts hadde gaen aenroepen voorseijden Peter Mullers en Derick den haemmaecker. En uijtgaende met deese op de straet bij hun gecoemen, Rochus en Baltus van het huijsken. En vortsgaende tot aen de heijde daer bij hun gecoemen Schuijrmans, Lennert Louppen, Willem van de siep en Poetgen Engelen. Dat vortsgaende op het huijs aen het velt toe en passeerende langste de venster van het huijs van den Pruijs, Peter Muller desen Pruijs aenriep en denselven oock mede gonge. En sij doens passeerende door het velt  toegegaen op het huijs waer den diefstal gepasseert. Alwaer bij hun quaemen door den wegh die voert op den bosch genoemt de Schiebach, Renerus Crampen, Henricus Haemers, Teeklen Vuss, Peter en Godfrit Pauwels, Joseph van de Sanckel, Henricus Steins, Lennert Steins, Peter Holthuijsen, Coen Kern, Dammer Hensgen, vollers Christ, Schieffers Claes, Wilhelmus van den Berenbeeom, den cuijper van Merxstein met sijnen soon, den Crichel, den ouden Rootcrans met sijne twee soonen, Thijsgen Engelen, Coxen Christian, het clarinetten mentgen, Schieffers Thijs, Wilhelmus en thijsgen Schieffers, Baltus Kerckhoff, Albert Schleipen, Peter Ploum uijt de Scheij, sijns gedetineerdens broeder Peter Breuwer, comende all in eenen trop van de Schiebach af. Seggende den gedetineerden dat sij gesellen bij malcanderen sijnde aen het huis waer den diefstal geschiet, Peter Pauwels hem daer op schiltwacht gecommandeert. En hij gestaen heeft ter zijde van het dorp Ubach tusschen het huijs van den Baurs(?) en van de wiesvrouw Entgen, gearmeert met eenen stock. En dat hij niet en weet wie van de gesellen aen het huijs aen het velt gebrooken, noch waer ingecoemen, oock niet wie ingeweest als alleen dat Albert Schleipen hem geseijt dat daer ingeweest, Baltus Kerckhoff, de Steins, Peter Pauwels met sijnen soon Godfrit. Dat hij gedetineerden daer niet lange schiltwacht gehouden, mits eenen van de soonen uijt het huijs ontcoemen was die tumult gecauseert en dat op de klock geslaegen wierde wanneer hij gedetineerden vortgeloepen en naer huijs gekert is. Seggende wieders, dat oock daer hulp geroepen wierde en dat den Baur geschooten hadde. Alsmede dat wanneer op de klock geslaen wierde, alle gesellen vortgeloepen sijn, den eenen hier en den anderen daer. Sijnde nochtans, den grootsten deel van hunne gesellen opden bosch de Schieback toegeloopen. En dat luttel daernaer de Steins wederom op voorseijden huijs sijn toegingen en hulp riepen als hadden sij die gaudieven oock willen verjaegen. En dat den Pruijs in der haest naer huijs gekeert sijnde sijnen fusick genoemen hadde, en daermede het voorseijden huijs aen het velt waer den diefstal geschiet wederomme naederde, als ofte hij de luijdens daer in den huijse hadde willen helpen. Seggende den gedetineerden niet te weeten wat in voorseijden huijs aen het velt was gestoolen worden, als alleen dat de Pruijs hem geseijt dat Schieffers Thijsgen en Nicolaes Rootcrans den jongen packen gehadt op den bosch de Schiebuch toegelopen waeren, waerinne cleagiën souden geweest sijn. Verclaerende wieders dat op paesch maendagh naer desen diefstal, hij gedetineerden geweest sijnde ten huijse van Albert Schleijpen, desen hem voor sijn gedeelte van lestgemelten diefstal gelangt hadde seven merck.

Deese aen den gedetineerden duijdelijck van woorde tot woorde voorgelesen sijnde, heeft verclaert, dat aen alle voorbeschrevene dieftens ende complotten noch geassisteert hadde Gabriel van Ubach reets geëxecuteert. Blijvende voorders persisteeren bij het gene voorseijt, sonder iet meer te willen bij nochte af doen, heeft hij gedetineerden dese tot dien scrijvens onervaeren, met een crijs gehandtmerckt.

(was geteeckent) cruijs X merck gehandtmerkt
(was geteeckent) cruijs X merck van den gedetineerden Joseph Breuwer verclaerende niet scrijven te connen.
(leger stondt) quod attestamur
(geteeckent) Hendrick Werden, schepen - D. Reinckens, schepen - J.F. Daelen, substitut greffier





Naar boven





































INHOUD

Afstammelingen van Bokkenrijders

ENTREE

Verzameld door John van Eekelen
Tekeningen © Maaike van Eekelen

REGISTER