DOCUMENTEN BOKKENRIJDERS


Entree            Documenten            Processtukken           Scherp examen

PROCESSTUKKEN

Protocol van Scherp Examen van Peter Gerrits 3 augustus 1773
 • Rijckheyt Heerlen • Schepenbank Heerlen 1168 • 







   
Continuatio gehouden den 3

augustus 1773


 

Is van weegens voormelde Heer Drossard gesisteert den
voornoemde gedetineerde Peter Geerits om verders ondervraegt
te worden. Over de articulen op gesteren geëxhibeert verclaerde

Art.5. verclaard, soo als voormeld meede handdaedigh te
   weesen, en pligitg te staen, aen de diefstal gebeurt in
   de herberge op den Eschen bij Joseph Wilders, dat daar-
   bij
meede geassisteert hebben Jacobus Ritzen,
   Peter Nacken,
Bernardje, Dirck uijt het Straetje,
   alsmeede welcke
met hem geassisteert hebben, bij den
   Diefstal gebeurt
ende begaen tot winantsraede, aen hem
   gedetineerde
distincte luijt voorgeleesen. Dat hem tot
   deesen diefstaal
den eersten aensat gegeeven heeft,
   Jacobus Ritzen,
en met denselven gegaen sijnde op den
   Eschen aan, alwaer
de anderen waaren, Dat hij
   vervolgens, in den weg op des
Vieren aan op schiltwagt
   gestelt is geworden en oppassen
of jemand quam, en als
   iemandt soo koomen, soo moeste
hij eens dugen? Dat de
   andere gesellen naar het huijs in
geraekt sijn, maar weet
   niet hoe, om dat een verre 
distancie daarvan afstond.
   Dat hij aldaar schiltwagt
gehouden heeft omtrent een
  
uijr, alswanneer Jacobus Ritzen aldaar op sijn post bij
   hem is gekoomen, en
hem tien marck gegeeven hebbend
   wegens dien diefstal,
seggende gaet nu naar heim maar.
   Dat de andere
met de gestoolen goederen, op de heijde
   soo als ver
noomen heeft aen gemarcheert sijn. Sijnde hij
   gedetineerde
bij deese occasie gewapent geweest met
   eenen stock,
maar weet niet te seggen, hoe de andere
   gewaapent
sijn geweest, door dien hij deselve bij nagt
   soo niet
konde kennen, en wat voor waapenen deselve
   hadde.


Art.6. verclaard niet geassisteert te hebben bij het
   tentamen
tot Roerdorp

Art.7. verclaard soo als gesteren bekent heeft, meede
   pligtig te weesen, bij den diefstal begaen bij den Pastor
   tot Hunshoven, waarbij meede geassisteert hebben.

   Juneman, Leijendecker, den Glaser, Peter uijt den Uijl,
   Jacobus Ritzen, Peter Nacken, Benardje, Dirck uijt het
   Straetje, Willem Vroomen Thijskens soon, Willem
   Vroomen
Linsen soon, den vilder Nicolaes, den
   Kreijt, Kreijten Lintjen
Manus en Mathijs Sengen,
   Hermanus uijt de Gansweijde
en meer andere die hij niet
   gekent heeft, dat hem tot
deesen diefstal den eersten
   aenslag gegeeven heeft,
den glaser.
   Dat sij, hun gesellen, sich s'avonts versamelt

   hebben bij de vilder Nicolaes aen de heijde, en van
   daar door de heijde op Hunshoven aen gegaen sijn.
   Dat hij door den Vilder aldaar op schiltwagt gestelt
   is geworden. Dat de andere inmiddels op het huijs sijn
   aengemarcheert, maar op wat wijse deselven aldaar in
   't huijs gebroocken sijn, kan den gedetineerde niet
   Detailleren, om dat eene verre distantie van 't huijs
   af op schiltwagt stond, maar oock niet wel en hoort.
   Dat hij op dien post is blijven staen, omtrent drie vierdel
   uijr. Dat het Leijerdeckerken, met de andere naar
   geperpetreerden Diefstal te rugge bij hem gecoomen sijn,
   voorsijn met sacken en packen der gestoolene goederen,
   waarvan Andriesken, den gläser, en Peter Meijer, die
   oock bij desen diefstal assisteert heeft, ieder een pack
   hadden, met welcke sij zijn naar huijs gegaen. Hebbende
   hij Gedetineerde des selven nagts uijt dien diefstal
   ontfangen ende geprofiteert, uijt handen van den
   glaser tien vett marckens. Sijnde hij Gedetineerde
   bij desen diefstal Gewaapent geweest als voor met een
   stock, en de andere voor soo verre hij gesijn heeft, oock
   met stocken.

Art.8. bekent soo als gesteren verclaerd heeft, meede
   pligtig te weesen aen den diefstal begaen tot Haavert
   bij Juffr. Steintjens, waarbij meede geassisteert hebben
   Peter Harzog, Sijbes, Meijerken, Andriesken, Juneman,
   Gläser, Root Hensken, Steen Hens, Houben Hens, den
   vilder Nicolaes, Manus en Mathijs Sengen, Kreijt,
   Lintje ...
Dirck in het Straetje, als meede eenen die
   nevens Dirck
woont, sijnde een vreembden aldaar –
   getrouwt met 
een dogter uijt het Lutt? hofken, – maar
   weet sijn naem
niet, Bernardje Kempener, Jacobus
   Ritzen, Hermanus
uijt de Gansweijde, den glasmacker
   uijt gen Heek,
den Langen Herman van Roebroek, wiens
   vader sich noemt Wijn, Frans en Thomas
   Boumans, Leonard
Hoenen, Emond woonende aan de
   schrijvers heijde,
Nicolaes Emond, uijt de Colver?
   Lambert woonende op
Roebroeck bij Frans Boumans,
   spinnende wol, hebbende
een dick been, eenen
   Weever woonende op het Retersbeek,
bij den caris?,
   getrouwt met de Roode Anna haaren
bastard, genoemt
   Catrijn, genoemt Paulus Oden
kerken,
   Meijske van Caardemig, Peter Jutten

   eenen weever van Reetersbeck, welk Meijsken
   ook meede in de Herberg op ten Esschen bij Jo-
   annes Boest geweest is, Willem Jongen,
   Joannes Eenen weever van Reetersbeck sijnde den
   Neef van Frans van Lowestein, Peter Moulin
   van Voerendal uijt de Jeugstraat. Eenen Willem
   uijt het Wustenraed sijnde den swaeger van Willem
   Jongen hebbende maar Een oog, nog eenen Hans
   eenen weever uijt het Wustenraedt, getrouwt met
   Heleen woonende naast de Roode Poort, wel-
   ke drie laaste bij den Dieftsal op ten Esschen
   en te Wijnands Rade geweest sijn, dog niet te
   Havert en Hunshoven.   Nog eenen kalverdrijver
   van't Overbroeck wiens vaeder eenen blinden
   man is, soo hij vermeent, – denwelken meede op
   den Eschen geassisteert heeft – en geene verdere
   Complicen willende bekennen, heeft men hem de
   Regter Schruijve doen appliceeren, als wanneer
   bekende, dat nog Pligtig Stond aan den Diefstal
   tot WijnandsRade en op Ten Esschen T'Mangele
   Peterken, Willem Maas van den Camp den
   weijerman ook op Ten Eschen en te Wijnands Rade,
   den wijsvrouwen soon van Hulsberg, genoemt
   Andries hebbende voor knegt gewoont op de Peer-
   boom, nog een snijder van't Reetersbeek genoemt
   Joannes, denwelken gesegt heeft dat soo Dikwijls
   bestoolen was, deesen is geweest bij den Diefstal
   te WijnandsRade, op ten Eschen, en te Havert,
   Vossen Lintjen van Welten.
         Verders verklaarde den gedetineerden ook
   uijtgeswooren te hebben den Eed in de Capelle
   op S'Linnerts Berg bij S'Hertzogenraede
   Peter Jongen van gen Trepken te Voerendal, den-
   welcken segt meede op Ten Eschen geweest te sijn.
   In t'selve oogenblick segt weederomme, dat geenen
   van alle, dewelke hij genoemt heeft, daarbij is geweest
   Ick hebbe alles uijt Pijn moeten seggen als naementlijk
   Paulus Odekerken, den swaeger van Willem
   Jongen, Mangele Peterken, Willem Maas
   Joannes den Snijder en Peter Jongen.
                                                            En ver-
   mits over middag is geresolveert hem los te
   laaten en met verder ondervragen te superen-
   deeren tot agtermiddag, ten welke eijnde hem
   deese sijne Depositën sijn worden voorge-
   leesen en heeft daarbij blijven persisteeren
   Ten fine deese vermits schrijvens onervaeren
   gehandmerkt


Dit is het hand X merk van Peter Geritz
                                           Quod attestamur
                                           J.Theodr Craen
                                              C. Swildens
                                                     L.G. Pelt
                       J.B. VCotzhuijsen   J.Wintgens
                                                     N. Neijssen



Continuatio 
Post Meridiem

gehouden Eodem

Is weederom Gesisteert den Voormelten
Peter Geritz en aan denselven gevraagt of
nog iemand meer bij de voormelte Diefstallen
hadde geassistert, heeft denselven verklaart
Dat bij den Diefstal tot Wijnands Rade en
tot Havert nog geweest sijn Bussen Geerken
en Caspar Den Bode, Hans Peter Vrösch
Homperts Hans, den Kalverdrijver uijt de Ganseweijde
en verders geene meer gekent te hebben. Dat hem
tot deesen Diefstal den Eersten aanslag
gegeeven heeft Nicolaes den Vilder en wel aan
desselfs woonhuijs, van waar sij gegaen sijn
langs Rompen op Havert aan; alwaar hij
alweederomme door den Vilder Eene verre
Distantie van het huijs af op Schiltwagt
gestelt wierde en Dus niet weet te seggen
wat aldaar in huijs is voorgevallen, als
alleenlijk dat gesien heeft als sij terugquamen
dat den Vilder, der Kreijt, Hermanus en
Matthijs Sengen ieder een Pack gehad _heeft _
en het selve naar huijs gedraagen hebben, sonder
dat hij gedetineerde weet, waar deese Packen
gelaaten hebben bij welke geleegenheijd hij
gewaepent met eenen Stock en d'overigen voor
soo veel hij gedetineerde gesien heeft ook
met Stocken.   Van welke Diefstal den
gedetineerde ontfangen en geprofiteert heeft
uijt handen van den Glaser Jacobus Schosmans
vijftien merk

Verders verklaart ad articulum 3. Soo als
reets deesen morgen bekent heeft, Pligtig
te sijn aan den Gruwelijken Eed, gedaan in
de Capelle aan S'Linnerts Berg waernae
toe hij in geselschap van den Glaser, Andries,-
ken Meijerken, Caspar den Bode, Swart
Peterken en Peter uijt den Uijl gegaan
sijnde, Aldaar gevonden hebben een groot
Swart Ding, sonder dat hij weet wat het ge-
weest is, en heeft verders daaraf niets willen
bekennen
                En nae dat aan hem deese sijne
Depositiëns waeren voorgeleesen heeft daerbij
blijven persisteeren ten fine deese gehandmerkt

Dit is het hand + merk van Peter Geritz

                                           Quod attestamur
                                           J.Theodr Craen
                                              C. Swildens
                                                     L.G. Pelt
                                                     N. Neijssen
                                                   J.Wintgens
                                             J.B. VCotzhuijsen
                                                 st Secretaris

   



Recollectie van dit verhoor

Naar boven





































INHOUD

Afstammelingen van Bokkenrijders

ENTREE

Verzameld door John van Eekelen
Tekeningen © Maaike van Eekelen

REGISTER