DOCUMENTEN BOKKENRIJDERS


Entree  •  Documenten  •  Processtukken •  Vonnis scherp examen

PROCESSTUKKEN

Advies in zake Geertruid Bosch van advocaten De Limpens en Pelerin

•••••  17 juni 1775  •••••  RHCL Maastricht  •••••  LvO 8169  •••••





Advijs in Zaake Den Eedele
Agtbare Heer

Lt. HoogDrossard des
Lands Valkenborg

Nomine Officii Clager
.......Tegens
Gertruijd Bosch Beklaagde



De onderschrevene, gesien en geëxamineerd hebbende de processale stukken in voorschreven zaake opgeresen en gefourneerd, souden in cas Regters waren geen bedenken maken van de beclaagde ter dood te condemneren en met de Strop of Koorde te doen straffen.

De grond-redenen hiervan zijn dat deselve betigt is, en haar accuseert van twee gequalificeerde diefstallen, den eersten in een huijs en de anderen in eene Eremitagie geschiet.
Alwaar in den nagt met geweld ingebroken is, zoals door de Corpora Delictorum daarover ingenomen consteert, die oversulks met de dood moeten gestraft worden.

In conformitijt der moderne jurisprudentie, zo alhier, als in alle omleggende Landen standgrijpende en als eene Staal Wet geobserveert wordende, zo als tuyt(?) Simon van Leeuwen 'Censura Forensis' Liber 5, caput 29 N° 3.
" In qualificato autem furto veluti si uná cum furto vim publicam commiserint, primâ vice ad Laqueum danantur." Holl. ordd. placit 16 decemb. 1595 et 9 Martii 1614, art.2. Damhoud 'Præ. Crim.' cap 112, N° 28 et seggende 'De Jure Novis', Lib. 5, cap. 19 etc.
"Duce suspendii pæna in furto iterato aut alias qualificato, non tantum apud omnes fere chritiani orbis nationes, sed et apud Turcas et Europæos in usus est referente." Risenberg. in 'Relatio Rerum Turcica', caput 4. pag. 35.

Het is dan allenelijk over [of Wet?], van in ondersoek te treden of de beclaagde van voornoemde diefstallen en inbraken genoegzaam geconvinceert is.
In quem finem dient voornamentlijk in aandagt genoemen te worden of de blijkwijzen, preuves of indiciën tegens haar officii wegen bijgebrogt, suffisant en sterk genoeg waaren om derselver ter torture of scherper examen te kunnen condemneren.
Want zo daar ontrent het vereijschd stoffe ontbroken had, dan soude haare confessie door de tortuur of territie uijtgeperst, niet kunnen strekken.
Om dezelve ingevolge de qualiteijt van het delict, door haar bekend, te straffen.
Neen maar ter contrair zoude zij in dat geval bij vonnis defintief vrijgesproken moeten worden.
Want het vonnis der scherper examen qualijk gegeven zijnde, zo en kunnen de gevolgen van dien niet bestaan.
Eveneens als dan in het Civiele eene sententie interlocutoir ten defintive reparabel is, moet ook het vonnis tot scherper examen als wezende van dezelve natuur, ten definitiven gerepareerd worden, zo wanneer den Regter mogte bevinden, dat hetzelve niet conform aan de wet gegeven was..

Dus naargaande de opgemelde beswaarnissen, die Ued. Agtb. tot het vonnis van scherper examen bewogen hebben, bevind men niet alleen dat de beclaagde door zeven differente Limaten der berugde bende betigt is onder deze bende te behoren.
Maar ook dat eenige derselve haar juijst accuseren aan de twee diefstallen pligtig te staan waarvan zij haarselfs in cas van scherper examen betigt heeft.
Abstract van dien doet geen kleijn vermoeden tegens haar oprijzen, dat een meenigte der voornoemde bende haaren vader als enen van hunne Chefs of opperhoofden opgegeven, en ten zijnen huijze de vergaderingen gehouden hebben.
Ja selfs dat aldaar de duijvelsche t'zamensweringe zoude geschiet zijn, de beclaagde bij deze nagtsvergaderingen en t'zamenrottingen aan en present geweest, en wat meer is, den een en den anderen tot het zo genoemde duijvelsverbond aangepord zoude hebben.

Al ist'dan, dat de naakte accusatie van eenen criminelen niet genoeg is om imant ter torture te verwijzen, so kan dezelve nogtans daartoe materie verschaffen, indien onderschraagt word door andere omstandigheden en indiciën.
"Sufficiens ad torturam indicium non est sola unius testis depositio, nec sola fama publica, nec sola confessio socii criminis, nec sola fuga, nec sola vita anta acta, nec sola in respondendo trepidatio aut vacillatio. Plané si plura ex superioribus aliisque civilibus indiciis in unum concurrant magis ex ut arbitrio judicis possuit ad torturam adhebendam sufficienta esse, dum novum non est, ut qua singula non prosunt, multa juvent." ... ...

Welke dan voornamentlijk plaats heeft in het geval waarinne UEd. Agtb. sig actuelijk bevinden, alzo het sig agisseert van eene berugde, ja ongehoorde bende Nagtgesellen en rovers uijt te roeijen.
Waar ontrent men niet zo rigoureus aan de wet gebonden ie, dan wel in en singulier geval,. Alzo door de tortuur het perykel niet ondergaan word, dat ontrent een particulier crimen zoude kunnen voorkomen.
Het is te seggen, dat imant als Litmaat der bende op de tortuur gezet wordende niet kan conveniëren en consoneren over deomstandigeheden der begaane crimina en diefstallen, indien daaraan niet pligtig staat. Zo volgens zijne confessie bij scherper examen gedaan, concurrerende met die der mede-makers en complicen hembetigt hebbende, brengt eene zekerheijd bij, dat in der daad pligtig staat aan de delicten waarvan betigt was.

Daar in tegendeel zo wanneer Imant over een singulier feijt of delict geaccuseerd word, de preuve genoegzaam klaar moet wezen, voor aleer men hem tot het scherper examen brengt. Omdat ordinarie door de confessie bij dat middel uijtgeperst wordende in dat cas geene verdere versekenringe toegebrogt word.
Als bijvoorbeeld daar word imand geaccuseert van dezen of geenen vermoord te hebben, zo in dat geval de preuve niet klaar is, dan is door de tortuur geen verder bewijs of versekering te verwagten.
Want al ist dat hij avoueert den moord begaan te hebben, zo en kan den regter eventwel uijt zijne confessie niet zien, of het inderdaad waar is, dan of deselve valschelijk geschied door Pijne of vrese der tormenten.

In den cas voorhanden is het geheel anders.
Het is niet genoeg dat de Criminele seggen van deze of geene euweldaaden of crimen begaan te hebben, maar sij moeten alle omstandigheden dezelve begeleijd hebbende uijt hun eijgen veropenbaren en bijbrengen,
en daarin overeenkomen met andere Litmaten der bende. Welke niet kan geschieden, zo niet pligtig waaren en dus dit geschiedende word den regter van hunne pligtigheijd verzekert.
De beklaagde dan door zo menigvuldige complicen betigt zijnde, en ingewoont hebbende bij haar vader die reets voortvlugtig is, alwaar den opstal en vergaderinge der bende of een gedeelte derzelve gehouden wierd, zo heeft dit tegens haar genoegzame indiciën en preuves tot het scherper examen doen oprijzen, zonder dat selfs in aanmerkinge kan komen, dat maar door medemakers en Litmaten der bende betigt is, die alle na regten reprochabel zijn.
Want hoezeer dit waar is ontrent hunne personen, zo en gaat het selve eventwel altoos niet door ontrent derselve depostiën of bekentenissen.
Vermitz, zo deze in de omstandigheden overeenkomen, wordende selver van reprochen gesuijvert, en zo niet tot eene volle preuve, ten minste tot vehemente indiciën kunnen dienen die alle bijeen gebrogt, zo als vo.. Cit. Loc. leert, genoegsaam stoffe tot de tortuur geven.

Het kan ook niet ten ontschuldinge van de beklaagde aangenomen worden, dat deselve allegueerd door haar vader tot den eersten diefstal aangeset en verleijd te zijn, vermitz selfs bekent dat iteratò daartoe overgegaan is.
"Nam pæna extraordinaria ex iterato delicto aliisque circumstantiis ad mortis et laquei pænam extendi solet, per ex quæ latè tradit" Julius Clarus Lib.5, Sententiarum  ... Justum N° 8. Gomez 'Var. resol." tom. 3. Cap. 5 et sequentes; Menoch 'De Arbitrium Judicium' casus 295 n° 8 et sequentes.
Was dan de beclaagde de eerste maal buijten haar weten en tegens haaren wil door haar vader verleijt en gedwongen, dan hadde zij haar voor de tweede reijze daar van moeten onthouden. Zij hadde ook voorhaar eerste maal zelfs na den beganen diefstal geene vier guldens voor haar aanpart moeten ontfangen, zoals selfs avoueert gedaan te hebben.
Ja, al is, dat de tweede reijze ook niets voor haar aanpart ontfangen heeft, zo neemt dit eventueel niet weg, dat zij haar pligtig gemaakt heeft aan den inbreuk en gequalificeerde diefstal, uijt welkers hoofde alleen sonder opsigt of iets, niets, veel of weijnig voor haar aandeel genoten, met de dood moet gestraft worden.

En alzo de beclaagde bij haare bekentenissen van den 2 junij jongstleden tot hoofd of Chef van de bende benoemt en naamkundig maakt eenen gegalloneerden heer van Luijk, daartoe verscheijde omstandigheden bijbrengt en detailleert, den selven eodem die wederom onder eenen anderen naam opgeeft, en dit bij recollectie revoceert, tot haare verschooning alleguerende, dat haar den naam van den laatsten te binnen geschoten en voorgekomen was, omdat veeltijds van den selven door haar vader had hooren spreken, zo vermeenen de onderschrevene

Dat vermitz het sig alhier voornamentlijk om den Chef en opperhoofd der bende te ontdekken, men dit sonder verder ondersoek niet mag overstappen. Alhoewel mogelijk is, dat de beclaagde dit alles gezegt heeft, om UEd. Agtb. te amuseren en te misleijden, zo dat om hierover naderhand aan geene reprochen blootgestelt te worden, ante omnia aan het officie behoorde gelast te worden, van nader verhoor te procederen en ten dien eijnde de nodige artikelen interrogatoir over te geven, tendeerende om de beklaagde haar te doen uijten, om wat redenen zij in
de eerste plaats zo menigvoudige omstandigheden wegens den Heer van Luijk opgegeven heeft, of noijt imand anders gegalloneerd ten haaren huijse geweest, sig daar met andere Litmaten der bende gevonden en daar venagt heeft.
Alsmede waarom den tweeden genoemt, en wat haar vader, zo wanneer van hem sprak, ten zijnen opsigte gezegd heeft, en waarinne de kennisse bestont, die met denselven hadde, en verders ex officio te doen vragen hetgene de omstandigheden zouden kunnen vereijschen.
Ja al was het dat de responsiven die hierop sullen volgen, gheen voordeel bijbrogten, zo kan dit eventwel niet voorbijgegaaan worden, zonder dat UEd. Agtbaare zig souden blootstellen aan het Officie Fiscaal, welk met regt UEd. Agtb. hierover soude aantasten, om over deze omstandigheden geen verder ondervraag gedaan te hebben.


Aldus Salvo Saniori geadviseerd
Binnen Maastrigt dezen 17 junij 1775
J.C.L. De Limpens
A.L. Pelerin

pro confect.
et examin. actor
quisque ƒ 30





EMAIL





Naar boven





































INHOUD

Afstammelingen van Bokkenrijders

ENTREE

Verzameld door John van Eekelen
Tekeningen © Maaike van Eekelen

REGISTER