DOCUMENTEN BOKKENRIJDERS


BEELDVORMING

Entree                Documenten                Beeldvorming

Pieter Ecrevisse, fragmenten uit de roman "De Bokkenrijders" 1845
Editie Antwerpen 1924

 


Slechts eenmaal waren de kinderen thuis gekomen, verhalende dat de straatjongens van Geulle achter hen hadden geroepen:
— Daar gaan de jonge weerwolven! Steenigen wij de jonge Bokkenrijders.
Daar de kinderen de beteekenis dier scheldnamen niet kenden, hadden zij thuis om uitleg gevraagd.
Dit verhaal der beide kleinen had, in den eersten oogenblik, een zeer pijnlijken indruk op den vader teweeg gebracht , doch de moeder wist behendig het onweder af te wenden met te zeggen:
— Kinderen, wat gij voor verwijtingen hebt genomen, dat is loutere beuzeling, waarop gij voortaan weinig acht moogt slaan. Nooit moogt gij zoo nog iets hooren, en veel min hier komen verhalen, ik verbied het u streng.
Dit uitvluchtend antwoord en het verbod der moeder werden met den gewenschten uitslag bekroond: men hoorde de woorden Weerwolf en Bokkenrijder nooit meer door hen uitspreken, in tegenwoordigheid der ouders.

—————————————————————————

Spreek het jawoord uit, en wij allen staan u ten dienste.... En zonder dit jawoord af te wachten, riep hij zijn makkers toe:
— Wilt gij Hein Ruiter voor uw hoofman ?
Ik had deze redevoering werktuiglijk aangehoord, zonder goed- noch afkeuring; doch bij het uitspreken van mijn naam, voelde ik als een elektrieken schok....
Ik sprong op van mijn zetel , als om te spreken; doch mijn tong was tegen mijn gehemelte geplakt; half bewusteloos , plofte ik op mijn plaats terug. Eensklaps werd ik door de mannen omringd; zij drukten mijn handen in de hunne, en riepen met woest geweld:
— Leve onze kapitein ! Lang leve onze kapitein !
Oogenblikkelijk werden tafels tegen elkander geplaatst; lekkere spijzen en fijne wijnen in overvloed bezetten deze; er werd hartelijk geëten en gedronken op de gezondheid van den nieuwen kapitein. Toen de uitspatting begon op den overvloedigen drank te volgen, gaf de voorgaande spreker een teeken, waarop al de momsels te gelijk van de aangezichten gerukt werden.
Hoe verbaasd zat ik te zien, in het midden der honderd Bokkenrijders, welke ik schier tot den laatste kende, en eerder een mijl diep onder de aarde dan onder de bende zou hebben gezocht!

 

Naar boven

Email








INHOUD

Afstammelingen van Bokkenrijders

ENTREE

Verzameld door John van Eekelen
Tekeningen © Maaike van Eekelen

REGISTER