Bokkenrijders en hun afstammelingen

Terug naar entree


De Overval die
nooit gebeurde


  
.

De overval bij Campo

De schepenen van Nuth zijn eind 1773 erg verontrust en alert door de ontdekking van
"eene talrijcke Bande van inbreekers en Dieven bij nacht" in de Landen van Overmaas. In de omringende landen worden mensen gearresteerd, veroordeeld en geŽxecuteerd vanwege inbraken en overvallen. Een van de verhalen die de ronde doen is dat de bende ook in hun jurisdictie een roofoverval heeft gepleegd, namelijk bij de oude Campo in zijn Nieuw Huis achter Schimmert. Daar hadden ze nog nooit van gehoord, laat staan dat er een proces-verbaal van dat misdrijf was gemaakt, of zoals men in die tijd zei een 'corpus delicti'. Zo'n corpus bestaat uit beŽdigde verklaringen van personen die erbij waren en bevat beschrijvingen van de gebeurtenissen, van de daders en van wat er gestolen werd.

Omdat de oude Nicolaas a Campo overleden is, wordt zijn zoon Nicolaas junior opgeroepen voor het gerecht. Hij verklaart op 6 december 1773 dat hij zijn hele leven met zijn vader, tot diens dood gewoond heeft in het Nieuw Huis, maar dat hij geen geweldpleging, mishandeling of diefstal heeft meegemaakt of daarvan heeft gehoord. En dat zijn vader hem alles toevertrouwde wat er in de huishouding gebeurde.
Een andere getuige die dezelfde dag gehoord wordt is de 83-jarige oud-schepen Gabriel Limpens. Diens gezondheid is niet meer zo sterk en hij wordt opgezocht in zijn huis in Terstraten op vijf minuten lopen van het Nieuw Huis. Hij verklaart dat hij  al in Terstraten woonde toen het huis van Campo daar nog niet stond. Verder had hij met die Campo een goede nabuurschap en zij namen elkaar meer dan andere mensen over allerlei zaken in vertrouwen, maar hij had nog nooit het minste gehoord dat hij bestolen zou zijn.
Het is dus duidelijk dat die overval nooit is heeft plaatsgevonden.
Lees het na



Het Nieuw Huis van Nicolaas a Campo, Maastrichter weg in Nuth

Foto Aleid van Eekelen-Benders

Maar toch

In het Oude Stadhuis van Maastricht verklaart op 10 juli 1773 Pieter Pieters uit Geul, alias het Leemkuiken tijdens de tweede dag van zijn verhoor onder foltering: "mede plichtig te wesen aan den geweldigen diefstal achter Schimmert bij a Campo genaamt het nieuwhuijs op het Spaansch". Hij vertelt zelf gewapend te zijn geweest met een stok en noemt andere medeplichtigen, onder meer Joannes Vrusch uit Beek.
In het Landshuis in Valkenburg beleeft de vilder uit Neerbeek, Dirk Herseler op 27 juli 1773 zijn vierde dag van ondervraging in de martelkamer. Overigens, zes weken daarvoor op 11 juni heeft hij op de eerste dag van het scherp verhoor Pieter Pieters als medeplichtige genoemd en onder aandacht van de gerechten gebracht. Maar op die vierde dag moet hij antwoord geven op vragen van de schepenen die een hele lijst van overvallen hebben, waarvan zij alles willen weten. Op nummer zes van die lijst staat: "pligtigh te sijn aen den dieffstal geperpetreerd bij Campo achter Schimmert in het
Nieuw Huys. Waerbij als Complicen geassistert: 1. Bernart Kempenaer, 2. H. Creijd, 3. den Elser Jan, 4. Erken Erkens van Beek, 5. Willem aen't Bloote Valderen, 6. Kuypers Leonard, 7. den eyes Jan, 8. Martin aenden Kaek te Elsloo, 9. Schnakken Jan sijn schoonsoon uit Geverik, 10. Willem den Scheerenmaeker aen't Wolfendt, 11. Peter Janssen van Geul, 12. Michiel den Wever te Beek, 13. den Racheler, 14. Erken Erkens van Neerbeek wonende in het 1ste huys van den gedetin. en meer anderen welke de gedetin. segt niet gekent te hebben."
Hij geeft zelfs een uitvoerige beschrijving van het gebeurde: "Hebbende sig de Complicen vergaedert in het veld achter Schimmert. Vanwaer se gegaen tot aen'd huys van Campo, alwaer Pieter Jansen eene venster opgebrooken, daerdoor in het huys geraekt en de huysdeur geoopent hebbende, den gedetin. met verdere Complicen doens in het huys gegaen. Sijnde hij gedetin.  gewaepent geweest met een heertsvanger, een
sackpistool en eenen swaeren pylstok en d'andere met flinten en schietgeweer,waervan Pieter Janssen eene flint en den Rachelaer eene sackpistol gehad hebben. Dus in huys gekomen hebben se den Hospes, de vrouwen en verdere persoonen van het huys gebonden en geknevelt. Vervolgens kisten en kasten met een bijl opgebrooken en alle vindt en dragbare effecten, waeronder ook eenig geldt, gerooft en gestolen hebben. Sijnde de effecten in sacken en packen meegenomen."
Als Dirk op op 20 september van dat jaar ter dood wordt veroordeeld staan in het vonnis vijftien misdrijven opgesomd die hij heeft bekend en de laatste daarvan is de overval bij Campo in zijn Nieuw Huis.
(Zie: Pfeifer & Erkens 'Ze hingen in drie reysen' (1987) p. 35)
Ook als Pieter Pieters op 4 oktober tot de galg wordt veroordeeld ontbreekt hij niet in de opsomming van diefstallen die de verdachte heeft bekend, de niet bestaande actie bij Campo achter Schimmert.
In het vonnis van Marten van Aubel uit Moorveld bij Geulle dat op dezelfde dag wordt geveld, lezen wij over "de Huijsbraak en Diefstal begaen bij Campo aen het Nieuwhuijs gelegen aghter Schimmert, bij dewelke hij mede op Schiltwaght gestaan heeft."

En er is meer.

Herman Vrancken, de veerman van Klein Meers zit gevangen in het Oude Stadhuis van Maastricht en pleegt daar zelfmoord in de nacht van 2 op 3 november een paar dagen nadat hij gefolterd is. De dag daarna spreekt de schepenbank van Elsloo meteen een vonnis uit tegen het dode lichaam van Herman Vrancken en bepaalt dat zijn lijk met een been aan de galg zal worden gehangen. Hij heeft niet zo veel bekend, want in de schuldigverklaring staan 'maar' drie violente huisbraken en diefstallen, onder meer
"bij Campo aan het nieuwhuijs agter of bezijdens Schimmert over enige jaren geperpetreert. In dusverre dat ter dier geleegenheeden de Luijdens van de respective bestoolene woonhuijzen door gemelte bende gekneevelt en mishandelt zijn geworden, niet alleen, nemaar ook dat hij Beclaagde van dito diefstallen en huijsbraaken telkens sijne aanpaarten genooten en geprofiteert heeft."

Ook in de doodvonnissen die de schepenen van Elsloo vellen over Machiel Minten en de lange snijder Pieter Penders, beiden uit Catsop, ontbreekt de fantoom-overval niet. Omdat elk van de twee "met en benevens eene meenigte geattroupeerde Nagtdieven en goddeloose booswigten de bewoonders van evengemeld huijs niet alleen gebonden en gekneevelt, nemaar ook derselver goederen, Effecten en penningen heeft helpen ontdraagen en asporteeren."
Klimmen is de vierde bank die we aandoen in dit verhaal en daar wonen op het Retersbeek Pieter Mengeler en Johannes Eeven. Volgens het Hoge Gerecht van Valkenburg hebben zij bekend  ... ja, inderdaad.  Weliswaar heeft Joannes op 22 oktober voor de middag onder het protocol van zijn verhoor eigenhandig geschreven "nit ware", maar dat is in een volgende sessie weer gladgestreken, 's middags bekent hij alweer. Pieter en Johannes worden op 3 december 1773 gehangen door de beul op de Graatheide bij Beek.
Lees het na over deze Pieter
Lees het na over Joannes



Joannes Eeven  pikt het niet

(foto Rob Hamers op CD Akten Schepenbank Heerlen Bokkerijders)

Uit betrouwbare bron.

Het zal de lezer opgevallen zijn dat er tussen de executie van Pieter Mengelers en Joannes Eeven en de verklaringen dat er nooit een overval bij Campo was, slechts drie dagen verlopen zijn. Na die bewuste 6 december worden geen akten meer opgemaakt waarin die knevelarij in het Nieuw Huis achter Schimmert als een feit gepresenteerd wordt. De communicatie tussen de vervolgende rechtbanken verliep dus goed, ook al zijn de bevindingen in Nuth niet in de dossiers van andere plaatsen gevonden.
Maar de vraag is natuurlijk hoe kon dit verhaal ooit in de criminele stukken terecht is terechtkomen? Een kleine aanwijzing vinden we in de derde verklaring die voor de schepenen is afgelegd over deze zaak, die van Martinus Campo, de oudste zoon van Nicolaas Campo senior. Die verklaart net als de andere ondervraagden nog nooit van de gewelddadige overval gehoord te hebben, maar voegt daar nog iets aan toe. "Maer deponeert verders den vorigen deponent dat hij gehoort in de presentie van de
Lietennent Kas van Beeck en Husmans van Brunsem ende den soone van de notaris Swildens van Voerendael dewelcke ten sijnen huijse waeren drinckende gepasseert eenen maent dewelcke van  voorgenoemde diefstal waeren sprekende gehoort te hebben uit den mont van G. Klinckenberg Lantmeter, dat hij alsdoen gesegt heeft dat hij Klinckenberg uijt den mont van den vaeder van den deponent gehoort heeft dat hij geseijt hadde ..".
En dan stopt de notulist en is het geciteerde doorgehaald. Terecht trouwens want in een
verklaring onder ede hoort niets 'van horen zeggen' te staan. Maar het beeld is duidelijk dat er verhalen de ronde deden waarbij de waarheid ondergeschikt was aan het smeuÔge verhaal.


Excuses aan nabestaanden zijn er nooit gemaakt en er is zelfs nooit met zoveel woorden op papier gezet dat het verhaal van die overval een fantasie was. Wel is merkbaar dat de gerechten voorzichtiger worden met het benoemen van de misdrijven en ze beperken zich tot die waarvan ze een behoorlijk corpus delicti hebben. Of anders zorgen ze daarvoor. In maart 1774 wordt schepen Walraven van Leuth ondervraagt over de overval op zijn huis in de Maasband, die in augustus 1756 plaatsvond, dus ruim zeventien jaar eerder.

En in de maand juli daarna worden de eremijt Peter Preckartz vragen gesteld over de overval op de Hermitage in Schin op Geul die in het voorjaar van 1761 werd gepleegd.

Maar men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het verband tussen de
verdachten en de misdrijven alleen bestond in het hoofd van de rechters.




EMAIL














INHOUD

Afstammelingen van Bokkenrijders

ENTREE

Verzameld door John van Eekelen
Tekeningen © Maaike van Eekelen

REGISTER